27 april 2021

Kan een bedrijfsrevisor natuurlijke persoon intreden in een reeds bestaande vennootschap, waarvan de activiteit bestaat uit financiële dienstverlening, met één bestuurder en aandeelhouder die niet de hoedanigheid van bedrijfsrevisor heeft of is dit in strijd met het verbod om een bestuurdersfunctie op te nemen in handelsvennootschappen?

 

  1. De volgende situatie wordt beschreven: “Kan een bedrijfsrevisor natuurlijke persoon intreden in een reeds bestaande vennootschap, met één bestuurder en aandeelhouder die niet de hoedanigheid van bedrijfsrevisor heeft? De activiteit van de vennootschap bestaat uit financiële dienstverlening. Deze dienstverlening gebeurt bij cliënten welke nooit deel zullen uitmaken van het cliënteel van de bedrijfsrevisor, de facto dienstverlening aan één tegenpartij als freelance consultant. Of is dit in strijd met het verbod om een bestuurdersfunctie op te nemen in handelsvennootschappen?

     

  2. Op basis van deze vraagstelling gaat het ICCI ervan uit dat u bestuurder van de betrokken vennootschap wenst te worden.

     

  3. Om deze vraag te beantwoorden, wenst het ICCI te verwijzen naar artikel 29, § 2, 2° van de wet van7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, dat het volgende bepaalt:

     

    Het is de bedrijfsrevisor niet toegestaan om revisorale opdrachten uit te voeren in de volgende omstandigheden: (…)

      2° rechtstreeks of onrechtstreeks een handelsactiviteit uitoefenen, onder andere in de hoedanigheid van bestuurder van een handelsvennootschap; het uitoefenen van een mandaat van bestuurder in burgerlijke vennootschappen die de rechtsvorm van een handelsvennootschap hebben aangenomen, wordt niet geviseerd door deze onverenigbaarheid; (…)”.

     

    In mededeling 2018/17 van de Raad van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren ([1]) worden de gevolgen van de afschaffing van het begrip handelaar op de onverenigbaarheden van de bedrijfsrevisoren geanalyseerd.

     

    Uit deze mededeling kunnen de volgende conclusies worden getrokken:

     

    -     met de afschaffing van het begrip “handelaar” had de wetgever geen wens om de bestaande onverenigbaarheden voor de gereglementeerde beroepen in het gedrang te brengen;

    -     het verdwijnen van de burgerlijke vennootschap houdt echter niet in dat men er voortaan zou moeten van uitgaan dat alle vennootschappen handelsvenootschappen zijn in de zin van artikel 29, § 2, 2° van de wet van 7 december 2016;

    -     het begrip “handelsactiviteit” in artikel 29 van de wet van 7 december 2016 moet worden geïnterpreteerd in de gebruikelijke betekenis die het had vóór de inwerkingtreding van de wet van 15 april 2018.

     

  4. Het maatschappelijk voorwerp van de vennootschap is doorslaggevend om te bepalen of een vennootschap een burgerlijke- of een handelsvennootschap is. Indien de vennootschap tot doel heeft commerciële handelingen te verrichten, zoals omschreven in de artikelen 2 en 3 van het oude Wetboek van Koophandel, is het een handelsvennootschap. Indien dit niet het geval is, dan is het een burgerlijke vennootschap.

     

    De notie “financiële dienstverlening” is een ruim begrip. Aangezien het ook de valuta- en effectenhandel betreft, zijn wij a priori van oordeel dat de notie “financiële dienstverlening” veeleer in de zin van een “handelsactiviteit” moet worden begrepen, maar het ICCI beschikt echter over niet genoeg informatie om dat met zekerheid te kunnen stellen.

     

  5. Daarboven wenst het ICCI de aandacht te vestigen op een arrest van 27 februari 2020 van het Europees Hof van Justitie C-384/18 ([2]) in een zaak die de Europese Commissie had aangespannen tegen het Koninkrijk België. De Europese Commissie vocht het Belgische verbod aan voor erkende boekhouders (BIBF) om ook actief te zijn als verzekeringsmakelaar, verzekeringsagent of vastgoedmakelaar dan wel bancaire activiteiten en activiteiten van financiële dienstverlening uit te oefenen. Het Hof oordeelde dat:

     

    Door een verbod in te stellen op het gezamenlijk uitoefenen van de activiteiten van boekhouder en die van verzekeringsmakelaar, verzekeringsagent of vastgoedmakelaar dan wel bancaire activiteiten en activiteiten van financiële dienstverlening, en door de kamers van het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten toe te staan het gezamenlijk uitoefenen van de activiteiten van boekhouder en elke ambachts-, landbouw- en handelsactiviteit te verbieden, is het Koninkrijk België de verplichtingen niet nagekomen die op deze lidstaat rusten krachtens artikel 25 van richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt en artikel 49 VWEU.”

     

    Het Europees Hof volgde de redenering van de Europese Commissie dat een algemeen verbod te ver gaat en niet-proportioneel is. De Europese Commissie voerde aan dat ook andere middelen kunnen worden gebruikt om de onafhankelijkheid van boekhouders te waarborgen, zoals interne controleprocedures. Het Hof volgde die stelling en oordeelde dat het Koninkrijk België niet had aangetoond waarom een algemeen verbod de enige manier is om het doel van de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid te verwezenlijken.

     

    Sinds 31 december 2016 bevat voormeld artikel 29, § 2, 2° van de wet van 7 december voormeld algemeen verbod voor de bedrijfsrevisor om rechtstreeks of onrechtstreeks een handelsactiviteit uit te oefenen.

     

    Artikel 29, § 3 van de wet van 7 december 2016 voorziet evenwel dat “Wat de in paragraaf 2 bedoelde bepalingen 1° en 2° betreft, kan de Koning in uitzonderingen voorzien. Hij kan ook de maatregelen voor de toekenning van een afwijking door het College bepalen.

     

    Er is nog geen koninklijk besluit in uitvoering van voormeld artikel 29, § 3 genomen. Sinds                   31 december 2016 tot op heden geldt er dus een absoluut verbod voor een bedrijfsrevisor om een bestuurdersmandaat op te nemen in een handelsvennootschap. Bij gebrek aan een koninklijk besluit  zijn er geen uitzonderingen mogelijk en kan het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren ook geen afwijkingen toestaan. 

     

    Op basis van arrest C-384/18 is een algemeen verbod om een handelsactiviteit uit te oefenen niet langer mogelijk.

     

  6. Gelet op het voorgaande, is het ICCIvan mening dat de financiële dienstverlening a priori kan worden geacht onder het begrip “handelsactiviteit” te vallen. Op heden is de uitoefening van een handelsactiviteit nog steeds verboden bij wet van 7 december 2016. Indien men bestuurder wenst te worden van een vennootschap met een handelsactiviteit, betekent dit dat men zich in de huidige stand van de regelgeving tijdelijk verhinderd zou moeten verklaren om revisorale opdrachten uit te voeren (cf. art. 30 van de wet van 7 december 2016).


([1]) Cf.

([2]) HvJ (4de kam.), 27 februari 2020 (Europese commissie t. Koninkrijk België), C-384/18, cf.