17 april 2015

Kan het ICCI een advies geven omtrent de hieronder vermelde probleemstelling in verband met de aanstelling van een commissaris?

 

Voor zover men de publicaties in het Belgisch staatsblad kan raadplegen hebben de betrokken vennootschappen nog een bedrijfsrevisor aangesteld.


NV A (met 22 personeelsleden) is de moedervennootschap van vennootschap B (65 werknemers) alsook van vennootschap C (Duitse onderneming met 100 werknemers)


De moedervennootschap is een vennootschap die voortvloeit uit het in faling gegane bedrijf NV D. Zowel NV A als vennootschap B hebben in het boekjaar 2014 aan alle drie de criteria voldaan voor de verplichting van een commissaris.


De vraag is wanneer een vennootschap uiterlijk een revisor dient aan te stellen en hoe en wanneer er hiertegen een klacht kan worden ingediend. De vraag is louter wat de wetgeving hierover schrijft.



Als antwoord op de vraag kan het ICCI meedelen dat een vennootschap, die als groot moet worden beschouwd overeenkomstig artikel 15 van het Wetboek van vennootschappen, in principe onmiddellijk dient over te gaan tot de benoeming van een commissaris. Daaromtrent wenst het ICCI te verwijzen naar pagina 17 van de IBR Studies 2004 “De vennootschap en haar commissaris” (deze publicatie is beschikbaar op de website van het IBR, onder de rubriek “Publicaties – IBR Studies: Beroep”):

 

Een vennootschap, die als groot moet worden beschouwd, gaat onmiddellijk over tot de benoeming van een commissaris (cf. artikel 131 van het Wetboek van vennootschappen: “Bij ontstentenis van commissarissen of wanneer alle commissarissen zich in de onmogelijkheid bevinden om hun taak uit te voeren wordt onmiddellijk in de benoeming of vervanging van de commissarissen voorzien.”). In de meeste gevallen stelt de vennootschap die groot wordt zich echter tevreden met het ertoe overgaan in de loop van de eerste gewone algemene vergadering die volgt op de kennisname van het feit dat ze niet meer klein is.”.

 

Dit betekent in dit geval dat zowel NV A als vennootschap B een commissaris dienen aan te stellen in de loop van de eerste gewone algemene vergadering van het jaar 2015 voor zover de bovenvermelde criteria bij de afsluiting van 2014 overschreden zijn (dit was duidelijk niet het geval einde 2013).

 

Het is passend in herinnering te brengen dat artikel 141, 2° van het Wetboek van vennootschappen de benoeming van een commissaris voorschrijft in kleine vennootschappen die deel uitmaken van een groep die ertoe gehouden is een geconsolideerde jaarrekening op te stellen en te publiceren.

 

Wat de Belgische groepen betreft, wordt rekening gehouden met de criteria bedoeld in artikel 16, § 1 van het Wetboek van vennootschappen. Wanneer de consolidatie volgens een buitenlandse wet is opgelegd aan een buitenlandse vennootschap, hebben de bepalingen van dat buitenlands recht indirecte gevolgen wat de verplichting tot benoeming van een commissaris betreft voor de vennootschap naar Belgisch recht. Op basis van de beschikbare gegevens kan het ICCI niet oordelen of de moedervennootschap consolidatieplichtig is.

 

Wat het indienen van een klacht betreft, verwijst het ICCI naar artikel 131 van het Wetboek van vennootschappen (eigen onderlijning): “Bij ontstentenis van commissarissen of wanneer alle commissarissen zich in de onmogelijkheid bevinden om hun taak uit te voeren wordt onmiddellijk in de benoeming of vervanging van de commissarissen voorzien. Bij gebreke hiervan, benoemt de voorzitter van de rechtbank van koophandel, zitting houdend zoals in kort geding, bij verzoekschrift van ieder belanghebbende, een bedrijfsrevisor wiens bezoldiging hij vaststelt en die met de taak van commissaris wordt belast totdat op wettige wijze in zijn benoeming of vervanging is voorzien. Zodanige benoeming of vervanging zal evenwel slechts gevolg hebben na de eerste jaarvergadering die volgt op de benoeming van de bedrijfsrevisor door de voorzitter.”

 

Ten slotte voorziet artikel 171, § 1 van het Wetboek van vennootschappen in strafrechtelijke sancties in hoofde van de zaakvoerders en bestuurders ingeval van overtreding van de verplichting tot benoeming van een commissaris.

 

Voor meer informatie omtrent deze problematiek wordt er verwezen naar het punt 1.3. van de bovenvermelde ICCI-publicatie (p. 24 e.v.)