14 juli 2020

Welke mechanismen van controle op de onafhankelijkheid van commissarissen van een niet-genoteerde vennootschap bestaan er, die echter overeenkomstig de sectorspecifieke wetgeving (elektriciteitswet) een auditcomité moet hebben? Moet een onafhankelijkheidsverklaring worden afgeleverd aan het auditcomité?

  1. De volgende vragen worden gesteld: Welke mechanismen van controle op de onafhankelijkheid van commissarissen van een niet-genoteerde vennootschap bestaan er, die echter overeenkomstig de sectorspecifieke wetgeving (elektriciteitswet) een auditcomité moet hebben? Moet een onafhankelijkheidsverklaring worden afgeleverd aan het auditcomité?

     

  2. Vooreerst gaat het ICCI ervan uit dat met “elektriciteitswet”, de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt wordt bedoeld (hierna “wet van 29 april 1999”). Het ICCI gaat er ook van uit dat onder een “niet-genoteerde vennootschap die echter overeenkomstig de sectorspecifieke wetgeving (elektriciteitswet) een auditcomité moet hebben” de netbeheerder wordt verstaan die, overeenkomstig artikel 9 van de voormelde wet, een auditcomité heeft die door de raad van bestuur van de netbeheerder moet worden opgericht.

     

  3. Aangezien de netbeheerder overeenkomstig artikel 9, § 1 van de wet van 29 april 1999, in de vorm van een naamloze vennootschap moet worden opgericht, is het ICCI van mening dat alle bepalingen van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (hierna “WVV”) betreffende de naamloze vennootschap van toepassing zijn, tenzij de wet van 29 april 1999 hiervan afwijkt (“lex specialis derogat legi generali”).

     

  4. Voor wat het auditcomité betreft, bestaat er een specifieke bepaling in de wet van 29 april 1999, die de taken van het auditcomité preciseert. Artikel 9, § 3 van de wet van 29 april 1999 bepaalt het volgende:

     

    Het auditcomité is belast met de volgende taken :

      1° de rekeningen onderzoeken en de controle van het budget waarnemen;

      2° de auditwerkzaamheden opvolgen;

      3° de betrouwbaarheid van de financiële informatie evalueren;

      4° de interne controle organiseren en daarop toezicht uitoefenen;

      5° de doeltreffendheid nagaan van de interne systemen van risicobeheer.

      Het auditcomité is bevoegd om een onderzoek in te stellen in elke aangelegenheid die onder zijn bevoegdheden valt. Te dien einde beschikt het over de nodige werkmiddelen, heeft het toegang tot alle informatie, met uitzondering van commerciële gegevens betreffende de netgebruikers, en kan het interne en externe deskundigen om advies vragen.”

     

    Deze wet specifieert niet dat het auditcomité verantwoordelijk is voor het toezicht op de onafhankelijkheid van de commissaris.

     

  5. Gelet op het voorgaande en aangezien de bepalingen van artikel 7:99 van het WVV met betrekking tot de taken van het auditcomité beperkt zijn tot genoteerde vennootschappen en organisaties van openbaar belang als bedoeld in artikel 1:12, 2° van het WVV, is het ICCI van mening dat het overeenkomstig de wet van 29 april 1999 opgerichte auditcomité de onafhankelijkheid van de commissaris a priori niet moet beoordelen en monitoren overeenkomstig artikel 7:99, § 4, 5° van het WVV. Aangezien het in de gestelde vraag geen organisatie van openbaar belang betreft, dient de commissaris ook geen goedkeuring van het auditcomité te verkrijgen voor het verlenen van niet-controlediensten die niet verboden zijn (art.3:63, § 5 WVV). De algemene onafhankelijkheidsregels van de commissaris zoals opgenomen in artikel 3:62 e.v. WVV blijven wel van toepassing.