8 september 2026

Samenvatting:
Bij een kapitaalverhoging door inbreng in geld moet de inbreng in principe effectief worden volgestort, wat volgens het Hof van Cassatie ook kan gebeuren via schuldvergelijking met bijvoorbeeld een rekening-courantvordering. Het arrest van 25 september 2006 bevestigt zo de techniek van de debt‑to‑equity swap, zonder zich expliciet uit te spreken over de kwalificatie als geld- of natura-inbreng. Volgens het ICCI blijft het in deze juridisch om een geldverbintenis gaan, waarbij schuldvergelijking louter een wijze van betaling is.

 

Résumé:
Lors d’une augmentation de capital par apport en numéraire, l’apport doit en principe être effectivement libéré, ce qui, selon la Cour de cassation, peut également se faire par compensation avec une créance détenue par l’actionnaire sur la société (par exemple un compte courant). L’arrêt du 25 septembre 2006 confirme ainsi la technique du debt-to-equity swap, sans toutefois se prononcer explicitement sur sa qualification en tant qu’apport en numéraire ou en nature. Selon l’ICCI, il s’agit toujours juridiquement d’une obligation de paiement en argent, la compensation n’étant qu’un mode d’exécution de celle-ci.

 

  NL FR
Type opdracht 1Punctuele opdracht Mission ponctuelle
Sleutelwoord 1 Kapitaalverhoging Augmentation de capital
Sleutelwoord 2 Bijkomende inbreng zonder uitgifte van aandelen Apport supplémentaire sans émission d’actions
Type klant Dochteronderneming/Dochtervennootschap Filiale

 

Tekst

  1. De volgende vraag wordt gesteld:

     

    « Een vennootschap met commissaris heeft onlangs een kapitaalverhoging [lees: bijkomende inbreng] (1,6 mn€) in geld gedaan. Er werden geen aandelen toegekend (1 aandeelhouder = Amerikaanse moedervennootschap) en de inbreng werd niet vol[ge]stort (slechts 1k€ vol[ge]stort in geld).

    Vervolgens wordt deze kapitaalverhoging [lees: bijkomende inbreng] vol[ge]stort met schuldvergelijking (RC die ontstaan is door voorschotten van de Amerikaanse moedervennootschap ter betaling van de kosten van de Belgische vennootschap wiens activiteit in ontwikkeling is waardoor er nog geen eigen inkomsten worden gegenereerd.).

    De raadgevers van de vennootschap verwijzen hiervoor naar het arrest van het Hof van Cassatie op 25 september 2006.

    De vraag is of een inbreng in geld kan worden vol[ge]stort met een RC. Indien ja, wat is dan het verschil met de inbreng in natura van een RC? »

     

  2. Uit de bijkomend opgevraagde informatie blijkt dat de vennootschap waarop de vraag betrekking heeft een BV is. Tenzij de oprichtingsakte anders bepaalt, worden alle inbrengen vanaf de oprichting volledig gestort.[1] Tenzij de statuten of de uitgiftevoorwaarden anders bepalen, moeten aandelen bij bijkomende inbrengen of uitgifte van nieuwe aandelen, bij hun uitgifte dus worden volgestort.

     

  3. Zoals aangehaald in de gestelde vraag kan dergelijke volstorting volgens het Hof van Cassatie inderdaad plaatsvinden door middel van een schuldvergelijking met een schuldvordering van de vennoot of aandeelhouder op de vennootschap, bijvoorbeeld in de vorm van een rekening-courant – mits de voorwaarden van schuldvergelijking[2] vervuld zijn.

    In zijn arrest van 25 september 2006[3] bevestigt het Hof van Cassatie aldus de techniek van de debt-to-equity swap, waarbij een schuldvordering wordt omgezet in kapitaal, resp. vermogen van de vennootschap, zonder zich echter expliciet uit te spreken over de kwalificatie van de verrichting als inbreng in geld dan wel in natura.[4]

     

  4. Volgens het ICCI blijft de oorspronkelijke verbintenis in dit geval een geldverbintenis, waarbij de schuldvergelijking een wijze is van (in voorliggend geval gedeeltelijke) betaling of uitvoering van deze verbintenis – een techniek waarvan het Hof van Cassatie bevestigt dat hij toelaatbaar is.

     

  5. Dergelijke verrichting vertoont gelijkenissen met de inbreng van een schuldvordering/rekening-courant in natura[5], daar de rekening-courant gebruikt wordt om de inbreng te volstorten en zodoende omgezet wordt in eigen vermogen van de vennootschap.

     

    Het gebruik van schuldvergelijking met een schuldvordering om een geldinbreng te volstorten verschilt technisch echter van een klassieke inbreng in natura van een rekening-courant/vordering, aangezien de schuldvordering in het eerste geval fungeert als betaalmiddel ter voldoening van een geldverbintenis, terwijl in het tweede geval de schuldvordering zelf het voorwerp van de inbreng uitmaakt.

    Het ICCI is van mening dat een inbreng in geld kan worden volgestort met een rekening‑courant door middel van schuldvergelijking, mits de voorwaarden daartoe vervuld zijn. In dat geval blijft deze verrichting juridisch een geldinbreng waarbij de rekening‑courant louter als betaalmiddel wordt gebruikt.

     

  6. Uit de vraag blijkt dat, in het kader van een bijkomende inbreng van in totaal € 1.600.000, de inbreng in geld aanvankelijk slechts voor een marginaal bedrag (€ 1.000) daadwerkelijk werd volgestort in geld (zonder dat duidelijk is waarom precies deze som werd volgestort), en vervolgens onmiddellijk verder werd volgestort door middel van schuldvergelijking met een schuldvordering, meer bepaald in de vorm van een rekening-courant.

     

    Het ICCI merkt op dat een dergelijke werkwijze kritisch beoordeeld moet worden. Hoewel schuldvergelijking als zodanig een juridisch aanvaarde wijze van uitvoering van een geldverbintenis is, mag deze techniek niet worden aangewend op een manier die de doelstellingen van de regels inzake vermogensbescherming uitholt.

    In het bijzonder roept de beschreven structuur vragen op daar zij ertoe leidt dat er in feite geen betekenisvolle cash-in ter versterking van het vermogen van de vennootschap plaatsvindt, maar enkel een boekhoudkundige compensatie. Wanneer een inbreng in geld op dergelijke wijze wordt gestructureerd — met een minimale effectieve storting onmiddellijk gevolgd door een quasi onmiddellijke schuldvergelijking voor het saldo — bestaat het reële risico dat dergelijke constructie wordt gebruikt om de revisorale controle verbonden aan een inbreng in natura te omzeilen. In die hypothese kan sprake zijn van schending van de regels inzake de inbreng in natura, in die mate dat de gekozen verrichtingsstructuur kennelijk wordt aangewend om de toepasselijke controlemechanismen en beschermingsregels te ontwijken. Het lijkt er immers op dat het van bij de aanvang de bedoeling was om de schuldvordering van de moedervennootschap in te brengen.

     

    In dit verband verdient ook het risico dat de schuldvordering « pour les besoins de la cause » – met andere woorden zonder grondslag in een economische realiteit maar louter om de inbreng en haar volstorting te faciliteren zonder controle door een bedrijfsrevisor of de commissaris – wordt gecreëerd bijzondere aandacht. In dergelijk geval rijzen ernstige vragen over de correcte waardering van de vordering, de goede trouw van de betrokken partijen en mogelijk ook de gelijke behandeling van schuldeisers.

     

  7. Het ICCI is van oordeel dat een volstorting van een inbreng in geld door middel van een schuldvergelijking met een rekening-courant/vordering in beginsel mogelijk is. Dergelijke verrichting is volgens het ICCI echter slechts aanvaardbaar in zoverre zij beantwoordt aan een legitieme economische realiteit en daadwerkelijk bijdraagt tot de vermogenspositie van de vennootschap.

 

In casu dringt zich een voorbehoud op, daar de verrichtingsstructuur erop gericht lijkt te zijn om de controlemechanismen verbonden aan een inbreng in natura te ontwijken. Bij de beoordeling van deze verrichting is het derhalve essentieel na te gaan of de gekozen structuur leidt tot een uitholling van de regels inzake vermogens- en schuldeiserbescherming.


[1] Zie art. 5:8 WVV.

[2] I.e. indien de wederzijdse schuldvorderingen voldoende bepaald en opeisbaar zijn.

[3] Cass. 25 september 2006, RW 2006‑07, p. 1561.

[4] Houben, R., Schuldvergelijking: opeisbaarheid, samenloop en volstorting, RW 2006-07, 1562-1566, Van Gerven, D., Vereffening NV: volstorting van de aandelen door schuldvergelijking, TRV 2008, 396-397.