17 april 2015

Kan het ICCI een advies geven omtrent de hieronder vermelde probleemstelling?

 

De vennootschap heeft via beslissing van de algemene vergadering haar commissaris ontslagen om wettige redenen.

 

 

De commissaris betwist deze wettige redenen. Men werd door de vennootschap gecontacteerd om het mandaat van commissaris over te nemen en ook de nodige revisorale verslagen op te stellen voor dringende geplande inbrengen in natura.

 

 

Men heeft conform de deontologische voorschriften de commissaris gecontacteerd. De commissaris heeft hierop geantwoord met de bevestiging van het ontslag en de betwisting van de ingeroepen wettelijke redenen.

 

 

De vraag is of men reeds het mandaat inzake de inbreng in natura kunnen aanvaarden teneinde de dringende kapitaalverhogingen en herstructureringen van de vennootschap mogelijk te maken.

 

 

Als antwoord op de vraag verwijst het ICCI naar Prof. dr. B. Tilleman, Het statuut van de commissaris, ICCI, 2007/2, Brugge, die Keure, p. 90-91, nrs. 161-162, die het volgende bepalen:

 

“161. Indien een commissaris wordt ontslagen zonder gewichtige redenen, kan een dergelijk onregelmatig besluit op deze grond niet worden nietig verklaard of opgeschort. De ontslagen commissaris die zich zou beroepen op het ontbreken van wettige redenen kan inderdaad geen rechtsvordering instellen om het ontslag ongedaan te maken en hem opnieuw in functie te benoemen [1]. Hiermee wijkt men af van het gemeen recht dat de uitvoering in natura als beginsel vooropstelt. Artikel 1142 van het Burgerlijk Wetboek verhindert geenszins om de gedwongen reïntegratie te vragen van een persoon die ten onrechte werd ontslagen. Deze bepaling belet immers enkel een gedwongen tenuitvoerlegging in natura [2], van een verbintenis om een materiële daad [3] te stellen. Het feit dat de gedwongen reïntegratie van een commissaris niet mogelijk is, vloeit voort uit het feit dat de wet enkel een geldelijke schadevergoeding voorziet bij een onrechtmatig gedwongen ontslag [4].

 

162. Een onrechtmatig ontslag heeft dan ook onmiddellijke uitwerking. Het voorstel van de Raad van State om in een regeling te voorzien waarbij in geval van betwisting het ontslag slechts uitwerking had nadat uit een vonnis, gewezen op vordering van de vennootschap, het voorhanden zijn van gewichtige redenen zou zijn gebleken, werd door de regering uitdrukkelijk verworpen [5]. Dit impliceert ons  inziens dat ook geen opschorting kan worden gevraagd op basis van artikel 179, § 1 van het Wetboek van vennootschappen [/ artikel 2:47, § 1 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen] van het besluit van de algemene vergadering tot het gedwongen ontslag van de commissaris.”.

 

Bijgevolg is het ICCI van oordeel dat men inderdaad reeds de opdrachten kan aanvaarden, dus ook het commissarismandaat.

 

 

“[1] Verklaring regering in verslag namens de bijzondere commissie uitgebracht door de heer Verhaegen, Parl. St. Kamer 1982-83, nr. 552/35, p. 26; vgl. anders: Groot Ontwerp: in art. 118 van het Groot Ontwerp waarop de wet tot hervorming van het bedrijfsrevisoraat is geïnspireerd was de mogelijkheid tot re-integratie wel uitdrukkelijk voorzien.”

“[2] P. Wery, L’exécution forcée en nature des obligations contractuelles non pécuniaires, Brussel, Kluwer, 1993, p. 260, nr. 150.”

“[3] P. Van Ommeslaghe, Cours de droit des obligations, V, 1985/1028 (het adagium nemo praecise cogi ad factum is niet van toepassing bij een verbintenis om een rechtshandeling te stellen).”

“[4] Vgl. in dezelfde zin: het Belgisch arbeidsrecht, waar een gedwongen reïntegratie van een werknemer ook niet meer mogelijk is. Dit was vroeger wel het geval (Cass. 17 juni 1902, Pas., 1902, I, p. (323), 324 en Rev. trim. dr. civ., 1903, nr. 48, p. 933-934, noot R. Demogue).”

“[5] Parl. St. Kamer 1982-83, nr. 552/1, p. 18.”