14 juli 2014

Kan het ICCI een duidelijk antwoord geven op de hieronder geschetste situatie?

Bij een contractuele opdracht van due diligence bij een groep, zonder enige commissaris, stelt de bedrijfsrevisor gewichtige en overeenstemmende feiten vast die de continuïteit bedreigen.


Bij de beëindiging van zijn contractuele opdracht schrijft hij dienaangaande de r(a)ad(en) van bestuur aan in toepassing van artikel 10 van de wet op de continuïteit van de ondernemingen (WCO).


In welke mate moet hij de mogelijke reactie van de bestuurders opvolgen en voor hoelang? Wie betaalt de betreffende honoraria? Afzonderlijke opdrachtbrief? Wat indien de onderneming weigert?



Voor wat betreft de opvolging beveelt het ICCI, in het kader van een eenmalige opdracht zoals een due diligence opdracht, aan om in de opdrachtbrief te preciseren vanaf welk tijdstip de beroepsaansprakelijkheid van de bedrijfsrevisor aanvangt en op welk tijdstip deze wordt onderbroken (bv. één maand na het overmaken van het verslag aan het bestuursorgaan). Indien deze precisering effectief wordt gemaakt in de opdrachtbrief, dan meent het ICCI dat de bedrijfsrevisor het mogelijk antwoord van de bestuurders moet opvolgen tot dit laatste tijdstip. Indien geen enkele precisering werd gemaakt in de opdrachtbrief, meent het ICCI dat de aangehaalde visie over de opvolging hieromtrent een genoegzame oplossing biedt.

 

In het kader van een eenmalige opdracht bestaat de taak in het sturen van de brief met de vaststellingen inzake de indiciën van mogelijke discontinuïteit, het beoordelen van de reactie van het bestuursorgaan of, in voorkomend geval, het vaststellen van de afwezigheid van antwoord binnen de termijn van één maand, en het beslissen of men de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel al dan niet dient in te lichten.

 

In deze omstandigheden heeft men geen verdere verplichtingen in het kader van artikel 10 WCO.

 

In antwoord op de vraag wie de desbetreffende bijkomende honoraria betaalt, is het ICCI van oordeel dat, rekening houdend met de beperkte tussenkomst van de bedrijfsrevisor in de bovenvermelde situatie, geen bijkomend ereloon kan worden gevraagd. Het betreft hier immers de uitvoering van een taak van openbaar belang die niet door de opdrachtgever werd toevertrouwd. Indien het bestuursorgaan van de betrokken vennootschap evenwel om begeleiding en/of opvolging vraagt inzake de herstelmaatregelen, betreft dit een nieuwe opdracht waarvoor uiteraard wel honoraria moeten worden voorzien.

 

Ten slotte wenst het ICCI te vermelden dat de Juridische Commissie van het IBR zich momenteel buigt over deze problematiek en meer algemeen over de toepassing van artikel 10 WCO door de bedrijfsrevisor.