23 september 2013

GRAAG DUIDELIJK INFORMATIE ONDER WELKE VOORWAARDEN EEN VENNOOTSCHAP EEN COMMISSARIS(-REVISOR) MOET BENOEMEN?

Op welke manier kunnen de erelonen worden besproken, welke verschillende kosten mogen nog apart door de commissaris worden doorgerekend aan de vennootschap, en voor welke termijnen moet deze benoeming gebeuren?

De verplichting tot aanstelling van een commissaris geldt in principe enkel voor grote vennootschappen in de zin van artikel 15 van het Wetboek van vennootschappen (W. Venn.) / artikel 1:24 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV), d.w.z. vennootschappen die:

twee van de volgende criteria overschrijden:

-        jaargemiddelde van het aantal werknemers: 50;

-        jaaromzet, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde: 9 000 000 euro;

balanstotaal: 4 500 000 euro.;

 

De kleine beursgenoteerde vennootschappen en de vennootschappen die deel uitmaken van een groep die moet consolideren (artikel 141, 2° W. Venn. / art. 3:72, 2° WVV) zijn steeds verplicht een commissaris te benoemen.

 

Wat de erelonen van de commissaris betreft, dient er te worden opgemerkt dat er geen vastgelegde tarieven bestaan voor de erelonen van de commissarissen. Immers zou het opleggen van tarieven strijdig zijn met de regels inzake mededinging. De erelonen van de commissaris worden bepaald in functie van de aard en de complexiteit van de activiteiten van de gecontroleerde vennootschap, het al dan niet bestaan van een interne audit afdeling, de aanwezigheid van een ondernemingsraad, de organisatie van het bedrijfsrevisorenkantoor en de ervaring van diens medewerkers.

 

Artikel 134, § 2 van het Wetboek van vennootschappen / artikel 3:65, § 2 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen bepaalt dat de bezoldiging van de commissarissen bestaat in een vast bedrag dat bij de aanvang van hun opdracht door de algemene vergadering wordt vastgesteld. Op grond van deze bepaling kan dit bedrag enkel mits onderling akkoord van de partijen (de commissaris en de algemene vergadering, die o.a. de indexering van de erelonen kunnen voorzien) worden gewijzigd en de commissaris heeft recht op een verhoogde bezoldiging bij onvoorziene controlewerkzaamheden. Volgens de Raad van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren (IBR) mogen verplaatsingskosten geenszins als aanvullende honoraria, die rechtstreeks of zijdelings de kosten van de wettelijke opdracht als commissaris dekken, worden beschouwd. Verplaatsingen in het buitenland kunnen dus afzonderlijk worden terugbetaald. Deze kosten dienen echter redelijk te zijn en in rechtstreeks verband te staan met de commissarisopdracht.

 

Het ICCI verwijst naar het Vademecum van het  IBR (Deel 1: Rechtsleer, 2009, Antwerpen, Standaard Uitgeverij, p. 554 e.v.) voor meer informatie omtrent de bezoldiging van de commissaris.

 

Ten slotte is de duur van het mandaat van de commissaris wettelijk vastgelegd op een hernieuwbare termijn van drie jaar (artikel 135 W. Venn. / artikel 3:66 WVV). Deze termijn is tegelijk een dwingende minimum- en maximumtermijn en het principe is dat de termijn van drie boekjaren loopt van de gewone algemene vergadering die de commissaris benoemt tot de gewone algemene vergadering die zich moet uitspreken over de derde jaarrekening waarover de commissaris een controleverslag moet opstellen. Na drie boekjaren verstrijkt het mandaat van de commissaris van rechtswege op de eerstvolgende gewone algemene vergadering.

 

Voor meer informatie met betrekking tot de benoeming, de erelonen en de duur van het mandaat van de commissaris, verwijst het ICCI naar het boek ICCI 2007/2, Het statuut van de commissaris, door Prof. Dr. B. Tilleman (Brugge, die Keure, 2007, 220 blz.). Men vindt tevens bijkomende antwoorden op de vragen op de website van het ICCI onder de tabkaart “adviezen”.