15 oktober 2015

Krachtens artikel 8, § 1, van het koninklijk besluit van 26 april 2007 tot organisatie van het toezicht en de kwaliteitscontrole en houdende het tuchtreglement voor de bedrijfsrevisoren, wordt in de schoot van het Instituut een commissie kwaliteitscontrole opgericht, die overeenkomstig artikel 9, § 1, van dit KB handelt in naam en voor rekening van de raad, ongeacht de bevoegdheden van de kamer van verwijzing en instaatstelling.

 

Krachtens artikel 13, § 2, van dit koninklijk besluit onthouden de leden van de commissie kwaliteitscontrole zich ervan om te zetelen bij elke beraadslaging of beslissing waarvoor hun onafhankelijkheid of hun objectiviteit in het gedrang zou kunnen komen.

 

Krachtens artikel 13, § 3, zullen de verslaggevers die zijn aangeduid niet kunnen deelnemen aan het later voorstel van beslissing van de commissie kwaliteitszorg noch aan de beslissing van de raad wat de eventuele aanhangigmaking bij de kamer van verwijzing en instaatstelling betreft.

 

Deze bepalingen zijn niet op straffe van nietigheid voorgeschreven.

 

Uit het geheel van alle voormelde bepalingen volgt dat de raad gelast is met het vooronderzoek in tuchtzaken, onverminderd de bevoegdheden van de kamer van verwijzing en instaatstelling, en na aan1oop van dit onderzoek een verslag overmaakt aan de verwijzingskamer met verwijzing naar de toepasselijke wettelijke, reglementaire en tuchtrechtelijke bepalingen en waarin hij een voorstel tot sanctie kan doen, terwijl de kamer van verwijzing en instaatstelling beslist of de voorgelegde feiten dienen verwezen naar de tuchtcommissie.

 

De beslissing van de raad tot overmaking van het verslag aan de kamer van verwijzing en instaatstelling is aldus geen beslissing over de gegrondheid van de tuchtvervolging, maar een louter voorbereidende handeling.

 

Het gebrek waarmee deze beslissing eventueel is aangetast kan slechts leiden tot het niet in overweging nemen van de tuchtvordering indien dit gebrek de beslissing van de tuchtcommissie of van de commissie van beroep kan beïnvloeden of bij de tuchtrechtelijk vervolgde aanleiding kan geven tot gerede twijfel over de geschiktheid van de tuchtcommissie of de commissie van beroep om zijn zaak eerlijk te behandelen.

 

De appelrechters stellen vast dat de notulen van de raadvergaderingen van 5 maart 2010 en 2 juli 2010 doen blijken dat de verslaggever in de zaak van de verweerder, er aanwezig was en aldus als lid deel uitmaakte van de raad bij de behandeling van zijn dossier en voorts dat hij heeft deelgenomen aan de besluitvorming.

 

Zij oordelen op die gronden dat:

  • de raad onregelmatig was samengesteld zowel toen hij op 5 maart 2010 besliste om het verslag goed te keuren en dat een tuchtverslag diende te worden opgemaakt, als op 2 juli 2010 toen hij besliste om het tuchtverslag goed te keuren en het over te maken aan de kamer van verwijzing en instaatstelling;
  • de kamer van verwijzing en instaatstelling bijgevolg niet rechtsgeldig werd geadieerd met een verslag dat niet regelmatig werd goedgekeurd en de kamer evenmin rechtsgeldig kon beslissen om de verweerder te verwijzen naar de tuchtcommissie om hem een tuchtsanctie op te leggen.

Door op die gronden de beslissing van de tuchtcommissie waarbij de tuchtvordering niet ontvankelijk werd verklaard

te bevestigen, zonder vast te stellen dat het gebrek waarmee de beslissing van de raad was behept, de beslissing van de tuchtcommissie of van de commissie van beroep kon beïnvloeden of gerede twijfel kon doen ontstaan bij de verweerder over de geschiktheid van deze commissies om zijn zaak eerlijk te behandelen, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.