10 juni 2014

Kan het ICCI een antwoord geven op de hieronder gestelde vragen?

 

Op de website van het IBR staat een studie over de aansprakelijkheid van de bedrijfsrevisor (Studies IBR: De aansprakelijkheid van de bedrijfsrevisor, burgerrechtelijke, strafrechtelijke en tuchtrechtelijke aspecten onder leiding van B. Tilleman van jaartal 2003). Hierin staat onder meer iets over de verjaringstermijn van die aansprakelijkheid:

 

Is er na 2003 nog iets significant veranderd aan dit onderwerp en dan vooral m.b.t. de verjaringstermijn of is de informatie heden ten dage nog steeds correct?

Kan men deze termijn van aansprakelijkheid contractueel beperken?

 

 

Uit de vraagstelling (de mogelijkheid om de verjaringstermijn van de aansprakelijkheid van de bedrijfsrevisor contractueel te beperken) kan het ICCI afleiden dat de burgerlijke aansprakelijkheid van de bedrijfsrevisor wordt bedoeld.

 

Artikel 2276ter van het Burgerlijke Wetboek stelt het volgende: “Deskundigen zijn ontlast van hun beroepsaansprakelijkheid en zijn niet meer verantwoordelijk voor de bewaring van de stukken tien jaar na het beëindigen van hun taak of, als deze hun krachtens de wet werd opgedragen, vijf jaar na de indiening van hun verslag.”.

 

Bovenvermelde bepaling, die eveneens van toepassing is op het beroep van bedrijfsrevisor, voorziet in geen mogelijkheid om de verjaringstermijn van de aansprakelijkheid contractueel te beperken. Meer informatie omtrent deze problematiek is beschikbaar in punt 3.2.11. van het ICCI-boek 2012/3, Een overzicht van de adviezen van de Juridische Commissie van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren (1988-2012) (Antwerpen, Maklu, 2012, p. 79 e.v.). Bijgevolg kan het ICCI bevestigen dat bovenvermelde verjaringstermijnen van de (burgerlijke) aansprakelijkheid van de bedrijfsrevisor nog steeds van toepassing zijn.

 

Artikel 24, § 1 van de wet van 7 december 2016 tot  organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren stelt bovendien dat

De bedrijfsrevisoren zijn aansprakelijk, overeenkomstig het gemeen recht, voor de uitvoering van de opdrachten die hun door of krachtens de wet zijn toevertrouwd. Behoudens bij overtreding gepleegd met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, wordt deze aansprakelijkheid beperkt tot een bedrag van drie miljoen euro voor de uitvoering van een van deze opdrachten bij een andere persoon dan een organisatie van openbaar belang, verhoogd tot twaalf miljoen euro voor de uitvoering van een van deze opdrachten bij een organisatie van openbaar belang. De Koning kan deze bedragen wijzigen bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.

 

Het is de bedrijfsrevisoren verboden om zich, zelfs gedeeltelijk, aan deze aansprakelijkheid te onttrekken door een bijzondere overeenkomst.

 

De Raad van het IBR is van oordeel dat dit artikel van openbare orde is (IBR, Vademecum Deel 1: Rechtsleer, 2009, Antwerpen, Standaard Uitgeverij, p. 470). Derhalve is het ICCI  eveneens van oordeel dat de burgerlijke aansprakelijkheid van de bedrijfsrevisor voor opdrachten die aan de bedrijfsrevisoren door of krachtens de wet zijn toevertrouwd (wettelijke opdrachten) contractueel niet kan worden beperkt.

 

Bovendien bepaalt artikel 2:143, § 1 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen:

 

Met betrekking tot vennootschappen verjaren door verloop van vijf jaren:

  (...)

  - alle rechtsvorderingen tegen leden van het bestuursorgaan, dagelijks bestuurders, commissarissen, vereffenaars, tegen de vaste vertegenwoordigers van rechtspersonen die één van de voornoemde functies bekleden, of tegen alle andere personen die ten aanzien van de vennootschap werkelijke bestuursbevoegdheid hebben gehad wegens verrichtingen in verband met hun taak, te rekenen vanaf die verrichtingen of, indien ze met opzet verborgen zijn gehouden, te rekenen vanaf de ontdekking ervan.

 

In het kader van andere dan wettelijke opdrachten legt de Raad van het IBR de nadruk op de parlementaire stukken van de Kamer van Volksvertegenwoordigers die voorzien: “de burgerlijke aansprakelijkheid van de revisor in het kader van andere opdrachten dan de wettelijke opdrachten, kan worden bepaald volgens de wil van de partijen en bepaald overeenkomstig het gemeen recht”.

 

Via de commentaar op voornoemd artikel 17, heeft de Regering de interpretatie bevestigd volgens dewelke de contractuele vrijheid de contracterende partijen toelaat het aansprakelijkheidsstelsel te bepalen voor de opdrachten die krachtens de wet niet werden voorbehouden aan de bedrijfsrevisoren (hierna de  “contractuele opdrachten”).

 

Met het oog op het vrijwaren van de mededinging is de Raad van het IBR van oordeel dat er bij contractuele opdrachten geen deontologische verplichting bestaat die ertoe strekt dat een confrater diens burgerrechtelijke beroepsaansprakelijkheid dient te beperken, aangezien dit niet door de wetgever is opgelegd.

 

Bij contractuele opdrachten heeft de confrater immers de vrijheid om de opdracht te aanvaarden of te weigeren, indien zijn opdrachtgever geen beperking van diens aansprakelijkheid wenst.

 

De Raad van het Instituut beveelt nochtans aan dat de aansprakelijkheid inzake contractuele opdrachten contractueel wordt beperkt tot redelijke bedragen, die rekening houden met het belang van iedere partij alsook met de wil van de wetgever om het voortbestaan van het beroep van bedrijfsrevisor te vrijwaren.

 

Op deontologisch vlak is het daarentegen niet toegelaten begrenzingen in te voeren die zouden leiden tot een volledige of overdreven vrijstelling van de aansprakelijkheid, hetgeen in strijd zou zijn met de waardigheid van het beroep. Te denken valt bijvoorbeeld aan de beperking van de aansprakelijkheid tot het bedrag van de bezoldiging van de bedrijfsrevisor.

 

Bovendien dient de doelstelling van de wetgever, zijnde het voortbestaan van het beroep van bedrijfsrevisor voor wat de revisorale opdrachten betreft, eveneens in aanmerking te worden genomen voor de contractuele opdrachten. De contractuele vrijheid inzake het aansprakelijkheidsstelsel voor de bedrijfsrevisoren voor de contractuele opdrachten, waaraan door de Regering in de voornoemde memorie van toelichting wordt herinnerd, impliceert dat de bedrijfsrevisor desgevallend elke contractuele opdracht waarvoor hij een dekking zou toestaan die hoger ligt dan degene voorzien voor de revisorale opdrachten (drie of twaalf miljoen euro), moet kunnen rechtvaardigen en met bewijsstukken staven, teneinde het voortbestaan van zijn kantoor te waarborgen, in het algemeen belang zoals door de wetgever beoogd voor revisorale opdrachten (IBR, Vademecum Deel 1: Rechtsleer, 2009, Antwerpen, Standaard Uitgeverij, p. 473-474).