Auteur(s)

Grégory De Boe

Doctoraatsstudent Louvain Research Institute in Management and Organizations (UCLouvain)

Maxence Postaire

Hoogleraar aan het Louvain Research Institute in Management and Organizations et aan de Louvain School of Management (UCLouvain)

18-12-2025
20 min.

Samenvatting

De eerste golf van CSRD-rapporteringen markeert een belangrijke stap voor ESG-transparantie in Europa. De richtlijn werd in december 2024 in Belgisch recht omgezet en verplicht bepaalde ondernemingen – meer bepaald organisaties van openbaar belang – om vanaf 2025 een duurzaamheidsverslag te publiceren dat voldoet aan de ESRS, voor het eerst gepaard gaand met een assuranceopdracht met een beperkte mate van zekerheid. Deze kwalitatieve studie, gebaseerd op de analyse van 53 assurance-rapporten, onderzoekt hoe de bedrijfsrevisoren zich deze nieuwe rapporteringsverplichting eigen hebben gemaakt. De resultaten tonen een sterke standaardisering van de verslagen, met een meerderheid van conclusies zonder voorbehoud, twee conclusies met voorbehoud en slechts één afkeurende conclusie. De belangrijkste verschillen liggen in de mate van detaillering over de uitgevoerde werkzaamheden, die varieert per kantoor. Hoewel de naleving van het ontwerp van Belgische norm over het algemeen is gewaarborgd, blijken de aanpassing van de verslagen en de transparantie over de daadwerkelijk uitgevoerde werkzaamheden nog beperkt ontwikkeld. Deze bevindingen roepen de vraag op naar het evenwicht tussen harmonisering en aanpassing van de verslagen. Summary The first wave of disclosures under the CSRD marks a key milestone for ESG transparency in Europe. The directive was transposed into Belgian law in December 2024 and requires certain companies – notably public-interest entities – to publish, from 2025 onwards, a sustainability report compliant with the ESRS, accompanied for the first time by a limited assurance engagement. This qualitative study, based on the analysis of 53 assurance reports, examines how registered auditors have approached this unprecedented task. The findings highlight a high level of standardisation in the reports, with a majority of unqualified conclusions, two qualified conclusions and only one adverse conclusion. The main differences lie in the level of detail provided on the procedures performed, which varies between audit firms. While overall compliance with the Belgian draft standard is ensured, the customisation of reports and transparency regarding the actual work performed remain underdeveloped. These findings raise the question of how to strike a balance between harmonisation and customisation of the reports.

1. Reglementair kader en uitdagingen na de eerste jaargang van duurzaamheidsverslagen

De eerste golf van duurzaamheidsrapporteringen, vereist door de Europese richtlijn met betrekking tot duurzaamheidsrapportering door ondernemingen 1 (Corporate Sustainability Reporting Directive, CSRD), vormt een belangrijke mijlpaal in de evolutie van het ESG-transparantiekader (ecologisch, sociaal en governance) in Europa. De CSRD, die in 2022 werd aangenomen en op 2 december 2024 2 in Belgisch recht werd omgezet, verplicht bepaalde ondernemingen om volgens nauwkeurige normen, gestructureerde, volledige en verifieerbare informatie te verstrekken over hun duurzaamheidsprestaties. Eén van de pijlers hiervan is de zogenaamde dubbele materialiteits-benadering, die ondernemingen verplicht om te rapporteren zowel over de impact van hun activiteiten op ESG-factoren, als over de invloed van deze factoren op hun ontwikkeling en financiële prestaties.

Hoewel er momenteel een vereenvoudigingsproces op Europees niveau wordt onderzocht, werd een eerste categorie ondernemingen – de organisaties van openbaar belang die eerder onder de NFRD 3 vielen – verplicht om vanaf dit jaar een eerste duurzaamheidsverslag te publiceren in overeenstemming met de CSRD. Deze openbaarmaking ging voor het eerst gepaard met een assuranceopdracht, zij het in een versoepelde context dankzij recente regelgevende initiatieven, zoals het zogenaamde “stop the clock”-mechanisme 4 en het Omnibus-voorstel 5 , die bepaalde deadlines voor de volgende rapporteringsgolven hebben opgeschort of uitgesteld.

De assurance van de eerste verslagen nam de vorm aan van een assuranceopdracht met een beperkte mate van zekerheid, gebaseerd op ISAE 3000 (herzien) 6 , bij gebrek aan een specifiek Europees normatief kader tot op heden. Bij een dergelijke opdracht brengt de (vrouwelijke) bedrijfsrevisor 7 een afkeurende conclusie tot uitdrukking, wat betekent dat hij (zij) geen aangelegenheden heeft vastgesteld op basis waarvan hij (zij) kan concluderen dat de verstrekte informatie afwijkingen van materieel belang bevat. De mate van zekerheid is dus beperkter dan bij een assuranceopdracht met een redelijke mate van zekerheid, die meer uitgebreide werkzaamheden zou omvatten, waaronder met name de beoordeling van de interne beheersingsmaatregelen en grondigere gegevensgerichte toetsingen. De rapporten worden beoordeeld op basis van de Europese standaarden voor duurzaamheidsrapportering (ESRS) 8 , die de normatieve basis voor de te attesteren inhoud vormen en het hele verslaggevingsproces structureren. Aanvankelijk voorzag de CSRD in een geleidelijke overgang naar een redelijke mate van zekerheid tegen 2028. Deze vooruitzichten werden echter opgeschort in het kader van de lopende Europese regelgevende aanpassingen.

Het is in deze context van regelgevingstransformatie, en vóór de goedkeuring door de Belgische minister van Economie van een Specifieke beroepsnorm voor opdrachten van assurance van duurzaamheidsinformatie 9 , dat deze studie is uitgevoerd. Deze studie heeft tot doel te analyseren hoe bedrijfsrevisoren deze eerste golf van CSRD-rapporten in België hebben benaderd. Daartoe hebben wij drieënvijftig assurancerapporten van bedrijfsrevisoren onderzocht om de belangrijkste trends, terugkerende waarnemingen en lessen die uit deze eerste ervaring kunnen worden getrokken, te identificeren. Dit werk wil zo bijdragen aan de lopende reflectie over de rol van auditing bij de opkomst van een duurzamer en transparanter bestuursmodel.

2. Methodologie

Deze studie is gebaseerd op de analyse van duurzaamheidsverslagen die in 2025 zijn gepubliceerd over het boekjaar 2024 door ondernemingen die voor het eerst onderworpen zijn aan een assurance-opdracht met een beperkte mate van zekerheid in toepassing van de CSRD. Uit de lijst van betrokken organisaties die door de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten (FSMA) is verspreid, zijn vierenvijftig ondernemingen met een rapporteringsverplichting geïdentificeerd (zie Tabel 1). 10

 

Onderneming 1 AB INBEV  Onderneming 19 ELIA GROUP  Onderneming 37 ORANGE BELGIUM 
Onderneming 2 AGEAS  Onderneming 20 EVS BROADCAST  Onderneming 38 PROXIMUS 
Onderneming 3 AGFA GEVAERT  Onderneming 21 EXMAR  Onderneming 39 RECTICEL 
Onderneming 4 AVH  Onderneming 22 FAGRON  Onderneming 40 ROULARTA MEDIA GROUP 
Onderneming 5 AZELIS GROUP Onderneming 23 FLORIDIENNE  Onderneming 41 SHURGARD SELF STORAGE
Onderneming 6 BANQUP GROUP Onderneming 24 FLUVIUS SYSTEM OPERATOR Onderneming 42 SIPEF 
Onderneming 7 BARCO  Onderneming 25 FLUXYS BELGIUM  Onderneming 43 SOLVAY 
Onderneming 8 BEKAERT  Onderneming 26 GALAPAGOS  Onderneming 44 SPADEL
Onderneming 9 BELYSSE GROUP  Onderneming 27 GBL Onderneming 45 SYENSQO 
Onderneming 10 BPOST  Onderneming 28 GREENYARD  Onderneming 46 TESSENDERLO GROUP 
Onderneming 11 CENERGY HOLDINGS  Onderneming 29 IBA  Onderneming 47 TITAN 
Onderneming 12 CFE  Onderneming 30 JENSEN GROUP  Onderneming 48 UCB 
Onderneming 13 CIE DU BOIS SAUVAGE  Onderneming 31 KBC GROUP  Onderneming 49 UMICORE 
Onderneming 14 COLRUYT  Onderneming 32 KINEPOLIS GROUP  Onderneming 50 VAN DE VELDE 
Onderneming 15 D’IETEREN GROUP  Onderneming 33 LOTUS BAKERIES  Onderneming 51 VANDEMOORTELE 
Onderneming 16 DECEUNINCK  Onderneming 34 MELEXIS  Onderneming 52 VIOHALCO 
Onderneming 17 DEME Onderneming 35 MIKO  Onderneming 53 WHAT’S COOKING GROUP
Onderneming 18 ECONOCOM GROUP  Onderneming 36 ONTEX GROUP  Onderneming 54 X FAB SILICON FOUNDRIES 

Tabel 1: Lijst van ondernemingen die een duurzaamheidsverslag moeten publiceren (FSMA)

 

In elk van de geïdentificeerde duurzaamheidsverslagen hebben wij de assurancerapporten of verslagen van de commissaris 11 (VC’s), zoals opgesteld door de opdrachtverantwoordelijke bedrijfsrevisor, geëxtraheerd. Deze documenten, die doorgaans minder dan zes pagina’s tellen – afhankelijk van de door elke onderneming gehanteerde lay-out – vertonen een grotendeels geharmoniseerde structuur. De opbouw van deze VC's is geïnspireerd op die welke wordt voorgesteld in het ontwerp Specifieke beroepsnorm opgesteld door het Instituut van de Bedrijfsrevisoren (IBR), dat nog ter goedkeuring voorligt bij de minister van Economie 12 . Wij hebben drieënvijftig van de vierenvijftig geïdentificeerde VC’s kunnen analyseren. Ondanks onze opzoekingen en herhaalde verzoeken aan de onderneming EVS Broadcast, zijn wij er niet in geslaagd hun VC te verkrijgen.

In het algemeen bevat elk VC de volgende secties:

  • Inleiding: presentatie van het mandaat, beperkte mate van zekerheid van de assuranceopdracht, identificatie van de bedrijfsrevisor, het organisatorische toepassingsgebied en de duur van de assuranceopdracht.
  • Conclusie met een beperkte mate van zekerheid: formulering van de door de bedrijfsrevisor tot uitdrukking gebrachte conclusie.
  • Basis voor de conclusie: assurance-informatie die de gevormde conclusie rechtvaardigt.
  • Benadrukking van bepaalde aangelegenheden: aangelegenheden die het oordeel van de bedrijfsrevisor niet ter discussie stellen, maar waarop de aandacht van de lezer moet worden gevestigd.
  • Overige aangelegenheden: verduidelijking over informatie die niet onder de assuranceopdracht valt.
  • Verantwoordelijkheden van het bestuursorgaan: toelichting bij de rol van de opstellers bij het opstellen van het duurzaamheidsverslag.
  • Inherente beperkingen bij het opstellen van de duurzaamheidsinformatie: identificatie van de risico's op subjectiviteit of fouten in het verslaggevingsproces.
  • Verantwoordelijkheden van de bedrijfsrevisor: beschrijving van de verplichtingen en de reikwijdte van de opdracht.
  • Samenvatting van de uitgevoerde werkzaamheden: samenvatting van de werkzaamheden uitgevoerd ter onderbouwing van de conclusie.
  • Onafhankelijkheidsverklaring: verklaring van onafhankelijkheid en afwezigheid van opdrachten die onverenigbaar zijn met de assuranceopdracht met een beperkte mate van zekerheid.
  • Handtekening: formele validatie van het VC door de bedrijfsrevisor.

Wij hebben een methode voor dubbele codering van de verslagen toegepast. Elke auteur heeft de VC’s uit de steekproef individueel geanalyseerd en daarbij systematisch zijn opmerkingen en vragen voor elke sectie van de drieënvijftig beoordeelde verslagen genoteerd. Tegelijkertijd werd een vergelijkende analyse uitgevoerd om te wijzen op de terugkerende elementen en waargenomen afwijkingen, meer bepaald wat betreft de interpretatie of lichting van de opties die worden geboden door het ontwerp van Specifieke beroepsnorm voor opdrachten van assurance van (geconsolideerde) duurzaamheids-informatie.

Na afloop van deze coderingsfase werden alle resultaten met elkaar vergeleken en gebundeld om de meest significante aangelegenheden te identificeren. Omwille van de duidelijkheid worden de resultaten weergegeven volgens de hierboven beschreven standaardstructuur van de VC’s. Wanneer bepaalde elementen nauwelijks of niet aan bod komen in de hiernavolgende analyse, betekent dit dat alle verslagen op uniforme wijze voldoen aan de bepalingen van het ontwerp van IBR-norm, zonder noemenswaardige afwijkingen.

3. Resultaten

A. Inleiding

In het algemeen vertonen de VC’s een grotendeels geharmoniseerde inleidende structuur, in overeenstemming met het ontwerp van IBR-norm. Een kleine variatie blijft bestaan in de formulering van de laatste zin: sommige bedrijfsrevisoren geven expliciet aan dat het gaat om de eerste assuranceopdracht uitgevoerd in het kader van de CSRD, terwijl anderen verwijzen naar de duur van het boekjaar waarop het verslag betrekking heeft.

B. Conclusie met een beperkte mate van zekerheid – basis voor de conclusie – benadrukking van bepaalde aangelegenheden

Ter herinnering: de opdrachten die in het kader van deze eerste rapporteringsgolf zijn uitgevoerd, zijn assuranceopdrachten met een beperkte mate van zekerheid, overeenkomstig het door de CSRD vastgestelde kader. Overeenkomstig ISAE 3000 (herzien) wordt de conclusie van een dergelijke opdracht in negatieve vorm geformuleerd, hetgeen betekent dat de bedrijfsrevisor verklaart geen afwijkingen van materieel belang te hebben geïdentificeerd op basis van de uitgevoerde werkzaamheden.

De standaardformulering die in de meeste verslagen wordt gehanteerd, is als volgt:

“Wij hebben een assuranceopdracht met een beperkte mate van zekerheid met betrekking tot de duurzaamheidsinformatie van [de Vennootschap] uitgevoerd. Op basis van de uitgevoerde werkzaamheden en de verkregen assurance-informatie is niets onder onze aandacht gekomen dat ons ertoe aanzet van mening te zijn dat de duurzaamheidsinformatie van de Vennootschap, in alle van materieel belang zijnde opzichten:

  • niet is opgesteld in overeenstemming met de vereisten in artikel 3:6/3 of 3:32/2 13 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, met inbegrip van de overeenstemming met de toepasbare Europese standaarden voor duurzaamheidsinformatie (European Sustainability Reporting Standards – ESRS);
  • niet in overeenstemming is met het door de Vennootschap uitgevoerde proces om de op grond van de Europese standaarden openbaar gemaakte informatie vast te stellen;
  • de vereisten in artikel 8 van Verordening (EU) 2020/852 (de “Taxonomieverordening”) betreffende de openbaarmaking van de vereiste informatie niet naleeft.”

Er is een verscheidenheid aan formuleringen vastgesteld met betrekking tot de exacte verwijzingen naar standaarden, secties van het verslag of toelichtingen. Dit weerspiegelt de aanpassingen die nog steeds worden doorgevoerd in het redactioneel werk rond deze nieuwe verplichtingen.

1- Conclusies zonder voorbehoud

De meeste verslagen geven een conclusie zonder voorbehoud, waarbij zij bevestigen dat de duurzaamheidsverslagen in overeenstemming zijn met de vereisten en geen afwijkingen van materieel belang bevatten. Drie verslagen bevatten echter aanvullende opmerkingen die de conclusie met een beperkte mate van zekerheid niet ter discussie stellen, maar wel de aandacht vestigen op bepaalde aangelegenheden:

  • Het VC van Galapagos vermeldt de onmogelijkheid om de impact van een transactie (Jyseleca®) op de broeikasgasemissies van het referentiejaar (2022) te kwantificeren, terwijl de gegevens als geldig worden beschouwd en geen herwerking vereisen.
  • Het VC van Econocom Group wijst op het ontbreken van de openbaarmaking van een bezoldigingsratio zoals vereist door ESRS S1 (DP97b), evenals op een gebrek aan assurance-informatie over de berekeningsmethode van een kwantitatieve indicator (herstelling van 1.300.000 elektronische apparaten – ESRS E5).
  • In het VC van GBL vestigt de bedrijfsrevisor de aandacht op de structuur die de onderneming heeft gekozen voor de presentatie van de duurzaamheidsverklaring (sectie 7.1.4), in verband met de beginselen van dubbele materialiteit en begrijpelijkheid, waarbij wordt gespecificeerd dat de presentatie aan de ESRS-vereisten voldoet.

2- Conclusies met voorbehoud

Twee verslagen bevatten een conclusie met voorbehoud, gemotiveerd door gedeeltelijke tekortkomingen die van materieel belang worden beschouwd:

  • In het geval van Bpost kon een recent overgenomen dochteronderneming (Staci Group) bepaalde gegevens niet aanleveren, hetgeen een risico op onderschatting inhoudt voor de ESRS-indicatoren E1, E5 en S1.
  • Voor Agfa Gevaert wordt de informatie met betrekking tot de E1-, E2-, E3- en E5-standaarden enkel verstrekt voor de belangrijkste vestigingen in België. De bedrijfsrevisor is van oordeel dat er een afwijking van materieel belang zou kunnen bestaan voor de ontbrekende gegevens van de andere vestigingen.

3- Afkeurende conclusie

Ten slotte maakt het verslag over X Fab Silicon Foundries melding van een afkeurende conclusie, gemotiveerd door een kennelijke niet-naleving van de door regelgeving gestelde vereisten:

  • De raad van bestuur geeft aan dat hij de door ESRS 2/IRO-1 vereiste dubbele materialiteitsanalyse niet heeft afgerond en daarom heeft gekozen voor een alternatief referentiestelsel (GRI-standaarden), dat niet door de CSRD wordt erkend.
  • Bovendien zijn de economische activiteiten die onder de groene taxonomie zijn gerapporteerd (hoofdstuk 6.5) onvoldoende onderbouwd en niet beoordeeld aan de hand van de vereiste technische criteria.

De bedrijfsrevisor concludeert dat het verslag niet voldoet aan de vereisten van artikel 3:32/2 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en artikel 8 van de Taxonomieverordening.

Deze eerste assurancerapporten met een beperkte mate van zekerheid illustreren de diversiteit van situaties waarmee bedrijfsrevisoren worden geconfronteerd bij de implementatie van de CSRD-vereisten. De meeste conclusies zijn zonder voorbehoud, soms in combinatie met een bijkomende paragraaf die bedoeld is om de aandacht te vestigen op bepaalde aangelegenheden die van materieel belang worden beschouwd, zonder de conclusie zelf ter discussie te stellen. Twee conclusies met voorbehoud wijzen op plaatselijke of gedeeltelijke tekortkomingen, meer bepaald in verband met onvolledige gegevens of beperkingen van het toepassingsgebied. Ten slotte wijst een afkeurende conclusie op een substantiële niet-naleving van de normatieve vereisten, meer bepaald het ontbreken van een dubbele materialiteitsanalyse en het gebruik van een ongeoorloofd referentiestelsel.

C. Overige aangelegenheden

In bijna alle verslagen wordt in deze sectie gespecificeerd dat de assuranceopdracht met een beperkte mate van zekerheid uitsluitend betrekking heeft op de duurzaamheidsinformatie van het lopende boekjaar en geen ter vergelijking opgenomen informatie van voorgaande boekjaren bevat, hetgeen in overeenstemming is met de IBR-aanbevelingen voor een eerste opdracht. Deze sectie ontbreekt in het verslag van Exmar, noch werd dit elders in het verslag vermeld.

Sommige verslagen behandelen ook de vraag van de onderlinge samenhang tussen duurzaamheidsinformatie en de geconsolideerde financiële overzichten. Zij wijzen erop dat deze onderlinge samenhang onder de verantwoordelijkheid van de raad van bestuur valt en dat hierover geen assuranceconclusie wordt geformuleerd, behalve wanneer de verificatie van het verband tussen beide informatiesets uitdrukkelijk is opgenomen in de contractuele reikwijdte van de opdracht. Deze verduidelijking is opgenomen wanneer de CSRD-opdracht wordt uitgevoerd door een ander kantoor dan het kantoor dat verantwoordelijk is voor de controle van de jaarrekening.

D. Verantwoordelijkheden van het bestuursorgaan betreffende het opstellen van de duurzaamheidsinformatie

Met betrekking tot de verantwoordelijkheden van het bestuursorgaan, geven alle geanalyseerde verslagen getrouw de formulering en de in het ontwerp van IBR-norm beoogde aangelegenheden, weer. Sommige specifieke verwijzingen naar interne documenten (toelichtingen, specifieke secties van het duurzaamheidsverslag, enz.) blijven echter grotendeels generiek, of ontbreken zelfs in een aantal gevallen.

Bovendien passen vijf verslagen de standaardformulering niet aan wat betreft de identificatie van het verantwoordelijke orgaan, waardoor de generieke vermelding blijft behouden: “[De met governance belaste personen] zijn verantwoordelijk voor het toezicht op het duurzaamheidsverslaggevingsproces van de Vennootschap”. Dit suggereert een automatische toepassing van het model, zonder aanpassing aan de bestuursstructuur van de betrokken onderneming.

E. Inherente beperkingen bij het opstellen van de duurzaamheidsinformatie

Alle verslagen behandelen de onzekerheden die verband houden met toekomstgerichte informatie, zoals voorzien in het ontwerp van IBR-norm. Ondanks uiteenlopende formuleringen wordt telkens gewezen op het feit dat toekomstige resultaten aanzienlijk kunnen afwijken van de gepresenteerde veronderstellingen.

Daarentegen vermelden slechts drie verslagen (Cie du Bois Sauvage, Elia Group, Miko) ook de onzekerheden die verband houden met de interpretatie van bepaalde juridische termen, waarbij wordt beklemtoond dat deze, bij gebrek aan wettelijke definities, vatbaar zijn voor uiteenlopende interpretaties.

F. Samenvatting van de uitgevoerde werkzaamheden

In alle geanalyseerde verslagen volgen de door de bedrijfsrevisoren uitgevoerde werkzaamheden een gemeenschappelijke basis die is afgestemd op de vereisten van het ontwerp van IBR-norm. Deze werkzaamheden omvatten doorgaans:

  • het verwerven van inzicht in de duurzaamheidsverslaggevingsprocessen van de onderneming;
  • het toetsen of de informatie zoals vastgesteld door het door de vennootschap omschreven proces is opgenomen in de duurzaamheidsinformatie;
  • het evalueren of de structuur en het opstellen 14 van de duurzaamheidsinformatie overeenstemt met de ESRS;
  • het verzoeken om inlichtingen en besprekingen met de personen die betrokken zijn bij het verzamelen of valideren van gegevens;
  • het uitvoeren van cijferanalyses en gegevensgerichte assurancewerkzaamheden op basis van een steekproef op geselecteerde informatie;
  • het beoordelen van de gehanteerde veronderstellingen voor schattingen en toekomstgerichte gegevens;
  • en het verwerven van inzicht in het proces voor het vaststellen en rapporteren van activiteiten die onder de Europese taxonomie vallen.

Naast het gebruikmaken van de bovengenoemde standaardwerkzaamheden zijn er verschillen in diepgang of nauwkeurigheid, afhankelijk van het kantoor:

  • Het eerste punt wordt soms aangevuld met vermeldingen van "inquiries", proceskaarten van verslaggevingsprocessen, gerichte besprekingen, bezoeken ter plaatse en de vermelding van de exacte data van de uitgevoerde werkzaamheden.
  • Sommige verslagen geven nadere informatie over taxonomiegerelateerde taken: inzicht verworven in het proces voor het vaststellen van in aanmerking komende en afgestemde activiteiten (omzet, kapitaaluitgaven (CapEx), operationele uitgaven (OpEx)); beoordeling van methoden, gegevens en naleving van minimumgaranties; beoordeling van het correcte gebruik van de vereiste verslaggevingsmodellen voor de taxonomie; afstemming van taxonomie-informatie met de geconsolideerde financiële overzichten.
  • In andere gevallen wordt gebruik gemaakt van detailcontroles en validaties ter plaatse op verschillende onderzochte industriële vestigingen (met vermelding van de vestigingen waarop een steekproef is getrokken). Deze verificaties hebben betrekking op de processen voor het verzamelen en berekenen van de gerapporteerde kwantitatieve gegevens.
  • Sommige verslagen maken ook een aansluiting van de economische activiteiten met de bewijsstukken voor substantiële bijdrage, het niet-schadelijk zijn en het naleven van minimumgaranties of de aansluiting van de omzetgegevens, CapEx en OpEx met de onderliggende financiële informatie van de onderneming.
  • Andere verslagen leggen de nadruk op de aansluiting tussen de duurzaamheidsverklaring en de financiële overzichten, en vermelden de interacties met de auditors van dochter-ondernemingen.

Ondanks soms uiteenlopende formuleringen (bijv. “interviews” versus “inquiries”), blijft de inhoud van de uitgevoerde werkzaamheden over het algemeen homogeen qua doelstelling. De enige significante verschillen hebben betrekking op de mate van detaillering die wordt verschaft of op de aanvullende werkzaamheden (bezoeken ter plaatse, detailcontroles) die worden toegepast afhankelijk van de interne beleidslijnen van de kantoren en de complexiteit van de gecontroleerde entiteiten, hetgeen kan wijzen op een robuustere uitvoering van de controleopdracht.

G. Ondertekening door de bedrijfsrevisor

In de overgrote meerderheid van de gevallen wordt de door de CSRD vereiste assuranceopdracht uitgevoerd door hetzelfde kantoor dat verantwoordelijk is voor de financiële controleopdracht. Enkel KBC Groep en Miko vormen hierop een uitzondering. Deze uitzonderingen beklemtonen dat de gangbare praktijk veeleer neigt naar een uniformering van beide opdrachten dan naar een scheiding ervan.

In de meeste gevallen is de commissaris die verantwoordelijk is voor de financiële controle ook verantwoordelijk voor de CSRD- assuranceopdracht.

Bovendien zijn er enkele specifieke praktijken die het vermelden waard zijn:

  • In sommige gevallen, wanneer één en hetzelfde kantoor beide opdrachten uitvoert, wordt naast de commissaris systematisch een tweede bedrijfsrevisor ingeschakeld voor de CSRD-opdracht. Deze keuze zou kunnen wijzen op een cultuur van voorzichtigheid, die verband houdt met de nog steeds hoge onzekerheid rond de ESG-vereisten, en is bedoeld ter waarborging van de interne kwaliteit van de opdrachten.
  • Voor Cie du Bois Sauvage, hoewel het kantoor hetzelfde blijft, wordt de CSRD-opdracht uitgevoerd door een andere bedrijfsrevisor dan degene die verantwoordelijk is voor de financiële controle.
  • Voor Proximus voert een college van bedrijfsrevisoren de financiële controle uit, terwijl slechts één enkele bedrijfsrevisor de CSRD-assuranceopdracht met een beperkte mate van zekerheid uitvoert. Voor de onderneming DEME, waar het bedrijfsrevisorenkantoor door twee revisoren wordt vertegenwoordigd, is er slechts één aangewezen voor de CSRD-opdracht.

4. Wat te onthouden van deze eerste verslagen?

De analyse van de drieënvijftig assurancerapporten met een beperkte mate van zekerheid die in het kader van de eerste CSRD-golf in België zijn openbaargemaakt, toont een over het algemeen homogene en gestructureerde implementatie, met een meerderheid van conclusies zonder voorbehoud, soms samen met opmerkingen. De twee conclusies met voorbehoud en de afkeurende conclusie wijzen op gerichte problemen, die verband houden met ontbrekende gegevens of kennelijke niet-naleving.

Hoewel de structuur van de verslagen een getrouwe weergave is van het ontwerp van IBR-norm, lijkt het toch wenselijk dat onderzoekers en beroepsbeoefenaars zich buigen over een bredere reflectie over het evenwicht tussen harmonisering en aanpassing van de CSRD-gerelateerde VC’s, om ervoor te zorgen dat deze assurancerapporten met een beperkte mate van zekerheid daadwerkelijk vertrouwen wekken in deze extra-financiële informatie die, vóór de invoering van de CSRD, vrijblijvend was en dus voorzichtig diende gebruikt te worden. Deze reflectie valt buiten het kader van deze analyse en zal moeten worden voortgezet in toekomstige academische werken en professionele debatten.

Deze eerste verslagen die door een beperkt aantal kantoren werden verstrekt, brengt verschillen aan het licht in de manier waarop de bedrijfsrevisoren zich deze nieuwe rapporteringsverplichting eigen hebben gemaakt. Elke overgang naar een redelijke mate van zekerheid zal een kwaliteitsverbetering en een grotere aanpassing van de verslagen vereisen. Een duidelijk, maar niet al te stringent vastgelegd normatief kader zal bepalend zijn om deze ontwikkeling te ondersteunen.

Deze praktijken tonen een diversiteit aan benaderingen van de kantoren bij de organisatie van CSRD-opdrachten, beïnvloed door hun interne beleidslijnen, hun risico-inschatting en, in sommige gevallen, door overgangs- of governanceomstandigheden die specifiek zijn voor de gecontroleerde onderneming.

 

Citaten

  • De meeste oordelen zijn zonder voorbehoud, soms samen met opmerkingen die bedoeld zijn om de aandacht te vestigen op bepaalde aangelegenheden die van materieel belang worden beschouwd, zonder de conclusie zelf ter discussie te stellen.
  • De enige significante verschillen hebben betrekking op de mate van detaillering die wordt verschaft of op de aanvullende werkzaamheden (bezoeken ter plaatse, detailcontroles) die worden toegepast afhankelijk van de interne beleidslijnen van de kantoren en de complexiteit van de gecontroleerde entiteiten, hetgeen kan wijzen op een robuustere uitvoering van de controleopdracht.
  • Elke overgang naar een redelijke mate van zekerheid zal een kwaliteitsverbetering en een grotere aanpassing van de verslagen vereisen.

Referenties

[7] Met het oog op zichtbaarheid en vertegenwoordiging van vrouwen in het beroep van bedrijfsrevisor wordt in de Franse versie van dit artikel de vrouwelijke vorm gehanteerd. Deze redactionele keuze heeft uiteraard betrekking op alle personen die deze functie uitoefenen, ongeacht hun gender.

[11] In totaal hebben zeven kantoren deze verslagen opgesteld: BDO, Callens Vandelanotte, Deloitte, EY, Forvis Mazars, KPMG, PwC.

[13] Wij benadrukken nogmaals dit onderscheid, omdat meerdere verslagen deze twee artikelen blijkbaar door elkaar gebruiken. Artikel 3:6/3 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen is echter van toepassing op niet-geconsolideerde informatie, terwijl artikel 3:32/2 betrekking heeft op geconsolideerde informatie.

[14] Er blijft een verschil in formuleringen bestaan, waarbij de termen “opstellen en “weergeven” door elkaar worden gebruikt, terwijl er wel degelijk een nuanceverschil tussen deze termen bestaat.