Auteur(s)

Emmanuel Pieters

Voorzitter van de Hoge Raad voor de Economische Beroepen

30-06-2025
4 min.

Met een discretie die perfect bij zijn aard past, vierde de Hoge Raad voor de Economische Beroepen dit jaar zijn 40-jarig bestaan. Dit is een gelegenheid om in zijn historische bestaansreden de perspectieven voor zijn toekomstige acties te achterhalen.

Het is ook het eerste werkingsjaar van de Hoge Raad dat ik de eer heb om in zijn nieuwe samenstelling Voorzitter te zijn, wat mij de gelegenheid zal bieden om de hedendaagse bekommernissen te confronteren met de oorspronkelijke grondslagen ervan.

 

Grondbeginselen

Zonder hierna de volledige geschiedenis van de Hoge Raad of de verschillende destijds overwogen en besproken opties te schetsen, wil ik eenvoudigweg het advies van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven van 1972 (Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, advies betreffende het revisoraat, nr. 433, 12 juli 1972) citeren, waarvan de inhoud een licht werpt op de kern van zijn oorspronkelijke bestaansreden.

De Centrale Raad voor het Bedrijfsleven was destijds van mening dat (vrije vertaling) “het een feit is dat de organisatie van het beroep van bedrijfsrevisor veel en delicate problemen oproept. De pogingen van de wetgever in 1953, door de oprichting van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren, hebben weliswaar een begin van organisatie gevormd, maar bleken niet in staat om al deze problemen op te lossen.

Met betrekking tot de organisatie van het toezicht heeft de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven erop gewezen “dat het van belang is (...) dat de op te zetten institutionele structuur tegemoet komt aan een aantal bekommernissen die hij essentieel acht om het revisoraat alle garanties van onafhankelijkheid, vertrouwen en doeltreffendheid te bieden:

  • de doelstellingen die men wil toewijzen aan het op te richten orgaan van algemeen belang op het gebied van revisoraat, in overeenstemming brengen met de organisatie van een vereniging van bedrijfsrevisoren, die erop moet toezien dat elke neiging tot corporatisme wordt vermeden ;
  • de uitoefening van een beroep dat een onafhankelijk karakter behoudt, verzoenen met de opdracht van algemeen belang die zij moet vervullen;
  • de toename van het aantal bedrijfsrevisoren, die noodzakelijk zal zijn door de uitbreiding van het revisoraat, in overeenstemming brengen met de kwaliteits- en bekwaamheidsvereisten die aan de bedrijfsrevisoren moeten worden opgelegd bij de uitoefening van hun opdracht;
  • toezien op de uitoefening van de opdracht van de bedrijfsrevisor en, in het bijzonder, op de actieve rol die hij moet spelen ten aanzien van de ondernemingsraad.

Voor het welslagen van de organisatie van het revisoraat, zoals die wordt aanbevolen (...), is het van essentieel belang dat het vertrouwen van alle betrokkenen wordt gewaarborgd.

De Raad is van oordeel dat er een toezichthoudend orgaan dient te worden opgericht, dat zou moeten worden belast met de organisatie van en het toezicht op het revisoraat, evenals met het uitwerken van richtlijnen en aanbevelingen betreffende de toepassing van wetgevingsmaatregelen (...) met betrekking tot het revisoraat.

 

Latere ontwikkelingen en nieuwe bekommernissen

De Hoge Raad werd opgericht en zijn opdrachten ontwikkelden zich naargelang van de hervormingen van 1985, 1993, 1999, 2007 en 2016. Zijn hoofdtaak bestaat erin erop toe te zien dat de activiteiten van de beoefenaars van economische beroepen worden uitgeoefend met inachtneming van het algemeen belang en de vereisten van het maatschappelijk verkeer.

Na een korte terugblik op de oorsprong van de beginselen die de wetgever heeft gehanteerd bij de oprichting van de Hoge Raad voor het Bedrijfsrevisoraat, die verschillende keren werd hernoemd tot uiteindelijk de Hoge Raad voor de Economische Beroepen waarbij zijn bevoegdheden werden uitgebreid tot de gecertificeerde accountants, de gecertificeerde belastingadviseurs, de accountants en de fiscaal accountants – en de latere ontwikkelingen, zou ik kort enkele huidige bekommernissen willen schetsen.

Eén van de constante aandachtspunten van de Hoge Raad in verband met zijn bestaansreden is het aan de orde stellen van de maatschappelijke vraagstukken die ten grondslag liggen aan de aan hem voorgelegde normen. Het is overigens de primaire verantwoordelijkheid van de Voorzitter die belast is met het bestuur van de instelling om deze vraagstukken centraal te stellen in de besprekingen.

Onder hun ogenschijnlijke complexiteit verbergen de normen vaak vraagstukken die de pure techniek overstijgen. Ik zal er ter indicatie enkele vermelden.

Uiteraard zijn markttransparantie en de kwaliteit en betrouwbaarheid van zowel financiële als niet-financiële informatie een onmisbare voorwaarde voor de optimale werking ervan.

Het is ook in die zin dat het onderzoek van de aan de Hoge Raad voorgelegde ontwerpen vaak is gericht op de problematiek van de informatie die in de ondernemingsraden wordt verspreid.

De Hoge Raad moet in zijn werkzaamheden hierop toezien, niet alleen bij de beoordeling van de normen, maar ook in het licht van de dringende behoefte aan voldoende en hoogwaardige beroepsbeoefenaars. Het recente advies uitgebracht door de Hoge Raad in het dossier met betrekking tot de toegang tot het beroep van bedrijfsrevisor is een stap in deze richting.

De huidige vraagstukken, in een turbulente economische context, behelzen die in verband met het concurrentievermogen. Het concurrentievermogen beperkt zich niet tot het gewicht van de fiscale en sociale lasten voor ondernemingen of tot de energiekost, bijvoorbeeld, maar omvat ook zulke cruciale kwesties als de ondersteuning die ondernemingen vinden bij hun natuurlijke adviseurs, zijnde de economische beroepsbeoefenaars. De nobele rol van de Hoge Raad is om hieraan bij te dragen door middel van zijn rechtsleer.

Een ander vraagstuk dat dient te worden beklemtoond, is de administratieve vereenvoudiging. Deze aangelegenheid wordt al lang op recurrente wijze behandeld. Herinnert u zich nog dat de programmawet tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap, waarbij de Dienst voor de Administratieve Vereenvoudiging werd opgericht, uit 1998 dateert? In elke zittingsperiode krijgt een lid van de uitvoerende macht de portefeuille van administratieve vereenvoudiging toegewezen. Het feit blijft echter dat het Belgisch Staatsblad in 2024 alle records heeft gebroken met bijna 150.000 gepubliceerde pagina's!

Hetzelfde geldt voor de Europese instellingen. Het lijkt erop dat het probleem is opgelost. En toch, in de mededeling van de Europese Commissie van 12 september 2023 met als titel “SME Relief Package”, waarin het stappenplan voor de maatregelen van de Europese Commissie op het gebied van het KMO-beleid wordt uiteengezet, wordt dit thema opnieuw opgepakt.

De maatregel die ongetwijfeld het grootste scepticisme oproept, is de aankondiging in het “SME Relief Package” van de intentie om de meldingsplichten die voortvloeit uit de wetgeving van de Europese Unie te rationaliseren, met als doel deze last met 25 % te verminderen om reden van de administratieve vereenvoudiging.

Op zijn niveau kan de Hoge Raad in zijn relaties met de Instituten hieraan bijdragen.

Daartoe lijkt het mij dat de Hoge Raad in zijn eigen procedures twee krachtlijnen moet hanteren.

Ten eerste door zich te richten op de inhoudelijke en essentiële kwesties van de aan hem voorgelegde ontwerpen. De opdracht van de Hoge Raad betreft geen controle op formele wetgeving, hoewel natuurlijk de “technische” kwaliteit en de rechtszekerheid van een norm ook bijdragen aan de efficiëntie ervan. Dit is de prijs van “Better Regulation” (betere regelgeving).

Ten tweede door ervoor te zorgen dat er voor de aan hem voorgelegde ontwerpen governanceprocessen worden gevolgd die een adequate behandeling van de dossiers waarborgen. Dit veronderstelt een open dialoog met de Instituten, meer bepaald door middel van hoorzittingen en vruchtbare gedachtewisselingen die niet alleen de grootst mogelijke transparantie van de dossierbehandelingsprocedure, de nodige flexibiliteit en het nodige respect voor de gesprekspartners waarborgen, maar ook het wederzijds begrip van de prioriteiten van elke belanghebbende.

Ik kan niet nalaten om de nadruk te leggen op de moeilijkheid die gepaard gaat met het bestaan van twee wettelijke grondslagen met verschillende procedureregels afhankelijk van de Instituten (IBR en ITAA) voor de behandeling van de gemeenschappelijke normen.

Er dient aan herinnerd te worden dat één van de uitbreidingen van het werkterrein van de Hoge Raad de uitbreiding van 1993 is. Dit is het antwoord dat de wetgever, na overweging, heeft gegeven op de “gedeelde monopolie”-opdrachten die in 1991 en 1993 aan bedrijfsrevisoren en gecertificeerde accountants zijn toevertrouwd, voor zover er in de betrokken onderneming geen commissaris in functie is.

Het doel dat de wetgever in 1993 nastreefde, was erop toe te zien dat de beroepsbeoefenaars (ongeacht het Instituut waartoe zij behoren) deze “gedeelde monopolie”-opdrachten op een gelijkaardige manier uitvoeren om aan de ondernemingen eenzelfde betrouwbaarheid van het na afloop van deze opdrachten uitgebracht verslag te garanderen.

De uitdagingen van de dubbele transitie (groen en digitaal) raken alle sectoren. Dit is niet anders voor de Hoge Raad, zoals blijkt uit de intensieve inspanningen die zijn geleverd ter afronding van de goedkeuring van het ontwerp van specifieke beroepsnorm van het IBR voor opdrachten van assurance van (geconsolideerde) duurzaamheidsinformatie door de wet toevertrouwd aan de bedrijfsrevisor, met een toekomstige openstelling van de markt voor onafhankelijke verleners van assurancediensten (IASP’s).

Met betrekking tot digitalisering en artificiële intelligentie in het bijzonder, naast de grote uitdagingen die dit voor de uitoefening van het beroep zelf met zich meebrengt, is het van belang te vermelden dat het ontwerp van norm inzake de controle van de overeenstemming van het jaarrapport van de op een gereglementeerde markt genoteerde vennootschappen met het Europees uniform elektronisch formaat, het beroemde ESEF-formaat, is goedgekeurd.

Dit uniform formaat maakt het mogelijk om de informatie openbaar gemaakt door alle op een gereglementeerde markt in de Europese Unie genoteerde vennootschappen te vergelijken en dit dankzij de op Europees niveau vastgelegde markering. Tegen 2030 zal deze vergelijkbaarheid nog verder worden vergemakkelijkt door het centraliseren van al deze jaarrapporten bij het Europees centraal toegangspunt (ESAP).

 

Conclusie

Kort samengevat kan worden besloten dat de normatieve aanpak gepaard dient te gaan met een denkoefening over de specifieke technische vereisten voor de aangelegenheid in kwestie, maar ook over de daarmee samenhangende sociaal-economische vraagstukken. De normatieve verantwoordelijkheid, in de gebruikelijke betekenis van het woord, ligt in het algemeen bij een gekozen orgaan dat de politieke toetsing van de bepaling uitvoert. Wanneer de regelvorming buiten elk politiek verantwoordelijk forum plaatsvindt, bestaat het risico dat er normen ontstaan die aan de technische vereisten voldoen, maar die moeten worden in verband gebracht met de specifieke uitdagingen voor andere disciplines.