20 november 2025

Samenvatting:
De aanstelling van een vereffeningsdeskundige leidt niet tot het verlies van het beheer van het vermogen door de schuldenaar. De commissaris behoudt zijn normale verplichtingen, kan via het bestuursorgaan om informatie vragen en kan zijn mandaat niet voortijdig beëindigen op grond van een gebrek aan informatie. Zijn contacten met de ondernemingsraad blijven ongewijzigd en vallen nog steeds onder het beroepsgeheim. In het kader van de geconsolideerde audits laat de uitzondering op het beroepsgeheim, voorzien in artikel 86, §2 van de wet van 7 december 2016, toe dat informatie wordt uitgewisseld met de commissaris van de consoliderende entiteit.

Résumé:
La désignation d’un praticien de la liquidation n’entraîne pas la perte de gestion du patrimoine par le débiteur. Le commissaire conserve ses obligations normales, peut demander des informations via l’organe d’administration et ne peut mettre fin à son mandat de façon anticipée en se fondant sur un manque d’informations. Ses échanges avec le conseil d’entreprise restent inchangés et soumis au secret professionnel. Dans le cadre des audits consolidés, l’exception au secret professionnel prévue par l’article 86, §2 de la loi du 7 décembre 2016 permet d’échanger des informations avec le commissaire de l’entité consolidante.

 

  NL FR
Type opdracht 1Commissarismandaat Mandat de commissaire
Type opdracht 2 Ondernemingsraad Conseil d'entreprise
Sleutelwoord 1 Gerechtelijke reorganisatie Procédure de réorganisation judiciaire

 

Tekst

  1. De volgende vraag wordt gesteld:

« Een vennootschap bevindt zich momenteel in een gerechtelijke reorganisatie onder de vorm van overdracht onder gerechtelijk gezag, zoals voorzien in Boek XX, Titel V/II, van het Wetboek van Economisch Recht (WER), meer bepaald de artikelen XX.84 t.e.m. XX.93/1 WER.

De procedure werd geopend door de ondernemingsrechtbank en een gerechtsmandataris (of insolventiefunctionaris) werd aangesteld om de overdracht te organiseren. Wij zijn als commissaris herbenoemd op de laatste algemene vergadering (met betrekking tot boekjaar 2024) voor een nieuwe termijn van drie boekjaren. In dit kader wensen wij duidelijkheid over onze rol, verplichtingen en communicatiekanalen tijdens deze fase van opschorting.

Vragen aan het ICCI:

  1. Rol en communicatie tijdens de opschorting

Klopt het dat de vereffeningsdeskundigen (gerechtsmandataris of insolventiefunctionaris) momenteel de leiding hebben over het proces conform artikel XX.85 WER, maar dat commissarissen mogen aandringen bij de enige bestuurder om op regelmatige basis informatie te blijven ontvangen.

Mogen commissarissen via de raad van bestuur contact opnemen met de vereffeningsdeskundigen of moet dit via formele tussenkomst van de gedelegeerd rechter of rechtbank verlopen?

  1. Verplichtingen van de commissaris

- Wat zijn de exacte verplichtingen als commissaris tijdens deze fase? Zijn er specifieke rapporteringsverplichtingen voorzien in het kader van artikel XX.86 WER en de wet van 7 december 2016 betreffende het beroep van bedrijfsrevisoren?

- Blijft de opdracht als commissaris ongewijzigd, of zijn er uitzonderingen voorzien in het kader van de reorganisatieprocedure?

- Wat is de rol van de commissaris ten aanzien van de ondernemingsraad, gelet op de informatieverplichtingen zoals bepaald in CAO nr. 102 en artikel XX.86 WER?

  1. Auditwerkzaamheden en cycle counts

- Dienen de commissarissen nog steeds aanwezig te zijn bij (een selectie van) cycle counts, of mogen deze werkzaamheden opgeschort worden tot er meer duidelijkheid is over het voortbestaan van de vennootschap?

- Is het verantwoord om interim audit te beperken tot kernactiviteiten, gelet op de onzekerheid over de continuïteit van de onderneming?

- Kunnen de commissarissen zich hierbij beroepen op de IESBA Code R410.13 en de ISQM 1-normen?

  1. Contact met groepsauditor

- Mogen de commissarissen rechtstreeks contact behouden met de groepsauditor om de status op groepsniveau te bespreken, inclusief relevante elementen voor de Belgische dochtervennootschap?

  1. Frequentie van overleg

- Er wordt ervan uitgegaan dat het aangewezen is om op maandelijkse basis overleg te houden met de raad van bestuur, en indien nodig frequenter.

- Zijn er richtlijnen over de minimale frequentie van communicatie in deze fase, bijvoorbeeld in het kader van artikel XX.24 WER? »

 

 

  1. Het ICCI benadrukt dat uit artikel XX.85 WER niet blijkt dat de aanstelling van een vereffeningsdeskundige tot gevolg zou hebben dat de schuldenaar het beheer over zijn vermogen verliest. De vereffeningsdeskundige is immers enkel belast met de organisatie van de overdracht van de onderneming, zonder zich te moeten bekommeren om of in te staan voor de activiteiten van de schuldenaar.

     

    Overeenkomstig artikel 3:68 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV) kunnen de commissarissen “van het bestuursorgaan, van de gemachtigden en van de aangestelden van de vennootschap alle ophelderingen en inlichtingen vorderen en alle verificaties verrichten die zij nodig achten”. Bijgevolg kan de commissaris het bestuursorgaan verzoeken op regelmatige basis te worden geïnformeerd over de gerechtelijke reorganisatie van de gecontroleerde entiteit. Indien een commissaris de nodige documentatie of informatie niet verkrijgt of geen toegang heeft tot de gegevens die hem toelaten zijn controleopdracht uit te voeren, kan hij dit argument niet gebruiken om zijn mandaat voortijdig te beëindigen[1]. In een dergelijke situatie moet de commissaris een voorbehoud maken of zich onthouden.

     

     

  2. Als antwoord op de tweede vraag benadrukt het ICCI dat de opdracht van de commissaris ten aanzien van de ondernemingsraad in principe ongewijzigd blijft. Dat wil zeggen dat de commissaris geen bijkomende verplichtingen heeft buiten wat normaal is voorzien in het kader van deze opdracht, bij gebrek aan een wettelijke basis daarvoor.

     

    Het is echter mogelijk dat de ondernemingsraad in deze context een ontmoeting met de commissaris vraagt. In dat geval wordt algemeen aanvaard[2] (zonder dat dit wettelijk is vastgelegd) dat de bedrijfsrevisor voorbereidende gesprekken mag voeren met de ondernemingsraad om zijn verslag over de jaarrekening toe te lichten en de inhoud en evolutie van de jaarrekening te analyseren en verklaren, steeds met naleving van zijn beroepsgeheim.

     

     

  3. Wat betreft de derde vraag, is er in beginsel geen enkele wijziging m.b.t. de werkzaamheden van de commissaris, met uitzondering van het verval van de verplichtingen (1) opgenomen in artikel 3:69 WVV (vaststellen van gewichtige en overeenstemmende feiten die de continuïteit in het gedrang kunnen brengen) en (2) voortvloeiende uit de alarmbelprocedure[3].

    De continuïteit van de vennootschap is minstens deel in gedrang, zodat de commissaris hieraan bijzondere aandacht dient te besteden, onder meer inzake de correcte toepassing van de waarderingsregels in discontinuïteit opgenomen in artikel 3:6 §2 KB WVV.

    De interim audit dient verder uitgevoerd te worden. Deze audit leidt uiteraard op zich niet tot een bijzondere verslaggeving noch tot enig initiatief zoals opgenomen in artikel 3:69 WVV en/of in de bepalingen inzake de alarmbelprocedure.

    Tot slot blijft de ISQM1-norm van toepassing; de IESBA-code kan een inspiratiebron zijn, doch is niet wettelijk opgelegd in België[4].

     

     

  4. Met betrekking tot de vierde vraag, herinnert het ICCI eraan dat er een uitzondering op het beroepsgeheim bestaat tussen enerzijds de commissaris van de consoliderende rechtspersoon en anderzijds de commissarissen van de geconsolideerde rechtspersonen in het kader van de controle van de geconsolideerde jaarrekening van een onderneming waarvoor zij verantwoordelijk zijn (art. 86, § 2 van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren). Bijgevolg kan er rechtstreeks contact worden onderhouden met de groepsauditor om de situatie op groepsniveau te bespreken.

     

  5. Ten slotte, als antwoord op de laatste vraag, is het bestaan van een richtlijn over de minimale frequentie van communicatie tussen de commissaris en het bestuursorgaan ons niet bekend.

[1] IBR, Advies 2019/10, Onderbreking van het commissarismandaat, cf. Advies 2019-10.

[2] Zie Vademecum van de Bedrijfsrevisor, IBR, 2009, blz. 587 en 588.

[3] Art. 5:153 (BV); 6:119 (CV); 7:228 (NV) van het WVV.

[4] IBR-advies 2021/05, Verduidelijking van de termen “relevante ethische voorschriften” in België – vervanging van advies 2019/07, p.2, cf. Advies 2021-05.