14 juli 2025
Samenvatting:
Een vennootschap die het voorwerp uitmaakt van een strafonderzoek is niet verplicht dit uitdrukkelijk te vermelden in haar boekhouding of in de toelichting bij de jaarrekening. In overeenstemming met de rechten van de verdediging geniet ze het voordeel van het geheim van het onderzoek en het recht om zichzelf niet te incrimineren. Zij moet echter wel het beginsel van het getrouw beeld respecteren. Dit kan onder meer betekenen dat er, afhankelijk van de omstandigheden, een voorziening moet worden geboekt of, indien deze (nog) niet becijferbaar is, dat hiervan melding moet worden gemaakt in de toelichting. De CBN pleit voor een ruime interpretatie van deze verplichting. In elk geval berust de beoordeling bij het bestuursorgaan. Een algemene formulering kan volstaan, zonder gevoelige details te onthullen.
Résumé :
Une société qui fait l’objet d’une instruction au pénal n’est pas tenue de mentionner cette information en tant que telle dans sa comptabilité ou dans l’annexe aux comptes annuels. Conformément aux droits de la défense, elle bénéficie du secret de l’instruction ainsi que du droit de ne pas s'auto-incriminer. Toutefois, elle doit respecter le principe de l’image fidèle. En fonction des circonstances, cela peut notamment impliquer qu’une provision doive être comptabilisée ou, si celle-ci n’est pas (encore) quantifiable, qu’une mention en soit faite dans l’annexe. La CNC préconise une interprétation large de cette obligation. En tout état de cause, l’appréciation relève de la responsabilité de l’organe d’administration. Une formulation générale peut suffire, sans révéler de détails sensibles.
| NL | FR | |
|---|---|---|
| Sleutelwoord 1 | Jaarrekening | Comptes annuels |
| Sleutelwoord 2 | Anti-witwas (AML) | Anti-blanchiment (AML) |
| Sleutelwoord 3 | Strafonderzoek | Enquête pénale |
Tekst
De volgende situatie wordt beschreven:
“Een onderneming is het voorwerp van een strafrechtelijk onderzoek in het kader van vermoedelijke inbreuken op de antiwitwaswetgeving. De advocaat van de onderneming is van oordeel dat er een redelijke kans bestaat dat de onderneming zal vervolgd worden, en daarbij ook (betekenisvolle) pecuniaire gevolgen zal dragen. De bedrijfsleiding is van oordeel dat zulke affaire niet in de toelichting tot de jaarrekening moet worden vermeld omdat het strafonderzoek geheim is, en de verwijzing naar het bestaan van een strafonderzoek op zich een inbreuk zou uitmaken.”
Het ICCI beantwoordt geen vragen die zich afspelen in een litigieuze context. Het ICCI geeft echter wel een principieel antwoord op een theoretische vraag. Dit antwoord mag dus niet worden beschouwd als een standpuntinname in een concreet of een dreigend geschil.
Verder blijkt uit de vraagstelling niet of de vraag wordt gesteld vanuit het standpunt van een commissaris die een commissarisverslag moet opstellen. Het ICCI gaat dus niet verder in op de rol van de commissaris.
De gestelde vraag betreft een mogelijke schending van het geheim van het strafonderzoek, zoals vastgelegd in artikel 28quinquies van het Wetboek van Strafvordering, door de vermelding in de toelichting bij de jaarrekening van het bestaan van dit geschil.
Artikel 28quinquies, §1 Wetboek van Strafvordering (dat verwijst naar artikel 458 Strafwetboek) bepaalt limitatief in welke gevallen het geheim kan worden opgeheven. Uit de formulering van dit artikel – en zoals de rechtsleer ook bevestigt[1] – blijkt dat het geheim van het onderzoek enkel van toepassing is op personen die gebonden zijn door een beroepsgeheim, en dit met het oog op de bescherming van:
In de geschetste situatie is de betrokken vennootschap dus zelf niet onderworpen aan enig beroepsgeheim. Ze is eerder de “begunstigde” van het geheim van het onderzoek waaraan de andere actoren van het onderzoek, zoals de procureur des Konings of de advocaten in de zaak, wel gebonden zijn.
Het geheim van het onderzoek dient inderdaad ter bescherming van de rechten van verdediging van de personen die betrokken zijn bij dit onderzoek. De eerbiediging van die rechten is een algemeen rechtsbeginsel waarvan het bestaan wordt erkend en gewaarborgd door artikel 6 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), en waarvan de toepassing in elke fase van de strafprocedure moet worden gegarandeerd: vanaf het onderzoek tot het proces[2].
Een van de afgeleiden van de rechten van de verdediging is het vermoeden van onschuld[3]. Dit vermoeden houdt in dat de verdachte het recht heeft om een passieve houding aan te nemen bij de aanlevering van bewijzen[4], aangezien niemand kan worden gedwongen zichzelf te beschuldigen. Het recht om te zwijgen maakt integraal deel uit van de rechten van verdediging[5]. Met andere woorden, de bewijslast ligt bij de onderzoekers en de procureur des Konings die belast zijn met het onderzoek.
Op grond van de rechten van verdediging is de betrokken vennootschap in deze geschetste situatie dus niet noodzakelijk verplicht om het strafonderzoek te vermelden in haar jaarrekening of in de toelichting bij de jaarrekening. Dit zou voor haar immers nadelig kunnen zijn, gezien de aard van de inbreuk waarvan zij verdacht wordt.
Uit de vraagstelling blijkt echter de inschatting dat er “een redelijke kans bestaat dat de onderneming zal vervolgd worden, en daarbij ook (betekenisvolle) pecuniaire gevolgen zal dragen”. De vraagsteller leidt hieruit af dat het geschil in de toelichting moet worden vermeld.
Een vennootschap moet, naast haar recht van verdediging, inderdaad ook rekening houden met het principe van het getrouw beeld van de jaarrekening, zoals vastgelegd in artikel 3:1 van het KB van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (hierna: “KB/WVV”). Indien nodig moeten aanvullende inlichtingen worden verstrekt in de toelichting bij de jaarrekening (cf. lid 2 van artikel 3:1 KB/WVV).
De Commissie voor Boekhoudkundige Normen (CBN) heeft dit algemeen beginsel van het boekhoudrecht reeds in verschillende adviezen uitvoerig besproken (CBN)[6].
Het criterium om uit te maken of de melding in de toelichting bij de jaarrekening verplicht is, is neergelegd in art. 3:2, § 3 KB/WVV: alleen rechten en verplichtingen van de vennootschap die haar vermogen, financiële positie of resultaat aanmerkelijk kunnen beïnvloeden, moeten worden vermeld. Belangrijke rechten en verplichtingen die niet kunnen worden becijferd, worden op passende wijze vermeld in de toelichting. De Commissie voor Boekhoudkundige Normen (hierna CBN) geeft in een advies van 2017 een extensieve interpretatie aan het begrip "rechten en plichten die de financiële toestand van een vennootschap aanmerkelijk kunnen beïnvloeden”[7].
De vraag rijst evenwel of het in de gegeven omstandigheden passend zou zijn voor de betrokken vennootschap om vooruitziend te handelen met het oog op een mogelijke ongunstige afloop van het strafonderzoek, door een financiële voorziening in de zin van artikel 3:11, eerste lid van het KB/WVV:
“Er moet rekening worden gehouden met alle voorzienbare risico's, mogelijke verliezen en ontwaardingen, ontstaan tijdens het boekjaar waarop de jaarrekening betrekking heeft of tijdens voorgaande boekjaren, zelfs indien deze risico's, verliezen of ontwaardingen slechts gekend zijn tussen de balansdatum en het ogenblik waarop de jaarrekening door het bestuursorgaan van de vennootschap, VZW, IVZW of stichting wordt opgesteld. In de gevallen waarin, bij gebreke aan objectieve beoordelingscriteria, de waardering van de voorzienbare risico's, de mogelijke verliezen en de ontwaardingen onvermijdelijk aleatoir is, wordt hiervan melding gemaakt in de toelichting, wanneer de betrokken bedragen rekening houdend met de doelstelling van artikel 3:1, eerste lid, belangrijk zijn.”
De CBN wijst er daarbij op dat de vorming van een voorziening geen bekentenis van een eventuele misbruik inhoudt[8].
Datzelfde CBN-advies[9] verduidelijkt dat, wanneer geen voorziening kan worden aangelegd omdat het onmogelijk is de hoogte ervan te becijferen, hiervan melding moet worden gemaakt in de toelichting. Het komt, in het licht van de vraagstelling, voor dat de toepasselijkheid van hetzij de verplichting een voorziening te boeken, hetzij, indien de hoogte van de voorziening onmogelijk te bepalen is, daarvan een melding te maken in de toelichting, inderdaad moet worden onderzocht.
In alle gevallen behoort de beoordeling over de noodzaak om hetzij rechten en verplichtingen op te nemen in de toelichting bij de jaarrekening, hetzij een voorziening aan te leggen, of, als deze niet kan worden becijferd, daarvan melding te maken in de toelichting bij de jaarrekening, tot de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan[10]. De inschatting die haar raadsman maakt van het geschil speelt daarbij uiteraard een belangrijke rol.
Voor de volledigheid: het ICCI gaat er daarbij wel van uit dat de mogelijke gevolgen van het strafrechtelijk onderzoek voor de vennootschap niet van dien aard zijn dat zij haar continuïteit kunnen bedreigen.
De bewoording in de toelichting bij de jaarrekening laat ruimte voor flexibiliteit. Het is niet nodig om inhoudelijke details van het lopend onderzoek bekend te maken. Een algemene omschrijving kan volstaan, mede gelet op de regel dat de vennootschap zichzelf niet hoeft te beschuldigen (verbod op zelfincriminatie – verbod verplicht te worden zichzelf te beschuldigen).
[1] M.-A. Beernaert, N. Colette-Basecqz, C. Guillain, L. Kennes, P. Mandoux, M. Preumont, D. Vandermeersch, Introduction à la procédure pénale, 2017, Bruxelles, La Charte, p. 112 en 113.
[2] Mercuriale van Procureur-generaal Jean du Jardin, uitgesproken op de solennelle zitting van de rentrée op 1 september 2003 bij het Belgische Hof van Cassatie, « Le droit de défense dans la jurisprudence de la Cour de cassation (1990-2003) », p. 7 en 10 ; Franchimont, Jacobs et Masset, Manuel de procédure pénale, Liège, Ed. Collection Scientifique de la Faculté de droit de Liège, 1989, p. 807.
[3] Zie op dit punt, Ibidem, , p. 11.
[4] Cass. 23 april 1997, Dr. Circ., 1998, p. 84.
[5] Article 14.3.g The International Covenant on Civil and Political Rights; European Court of Human Rights, Funke v. France, 25 February 1993.
[6] CBN-advies 132/2 van 1 oktober 1984 – Voorraden waarvan de verkoopprijs door de Overheid gewaarborgd is ; CBN-advies 157/1 van 1 december 1988 – Wijziging van Wijziging van de waarderingsregels als gevolg van gewijzigde wetgeving-Informatieverstrekking ; CBN-advies 174/1 van 1 februari 1997 – Beginselen van een regelmatige boekhouding; CBN-advies 2018/25 van 12 september 2018 – Voorzieningen ; S. Van Crombrugge, “Inleiding”, In Gentse geschriften: raakpunten en spanningen tussen fiscaal recht en boekhoudrecht, ed. S. Van Crombrugge, Kalmthout, Biblo, 1990, p. 18; M. Warlop, “e invloed van goed koopmansgebruik (Nederland) en boekhoudtheorie (België) op de fiscale winstbepaling”, In Gentse geschriften: raakpunten en spanningen tussen fiscaal recht en boekhoudrecht, ed. S. Van Crombrugge, Kalmthout, Biblo, 1990, p. 63.
[7] CBN-advies 2017/07 van 15 maart 2017 – Niet in de balans opgenomen rechten en verplichtingen, randnrs. 13 tot 15.
[8] CBN-advies 2018/25 van 12 september 2018 – Voorzieningen, randnr. 52.
[9] CBN-advies 2018/25 van 12 september 2018 – Voorzieningen, randnrs. 47 tot 52.
[10] CBN-advies 2018/25 van 12 september 2018 – Voorzieningen, randnrs 48 en 57.