8 september 2026

Samenvatting:
Overeenkomstig artikel 3:61 WVV is de commissaris benoemd voor een mandaat van drie jaar. Het mandaat kan niet voortijdig worden beëindigd omdat de vennootschap niet langer voldoet aan de voorwaarden om een verplichte consolidatie op te stellen.

Résumé :
Conformément à l’article 3:61 du CSA, le commissaire est nommé pour un mandat de trois ans. Ce mandat ne peut pas être interrompu de manière anticipée au motif que la société ne satisfait plus aux conditions l’obligeant à établir des comptes consolidés.

 

  NL FR
Type opdracht 1Commissarismandaat Mandat de commissaire
Sleutelwoord 1 Duur van het mandaat Durée du mandat
Sleutelwoord 2 Consolidatie Consolidation

 

Tekst

  1. De volgende vraag wordt gesteld:

    « Wanneer een commissaris werd benoemd voor de opmaak van een consolidatie, maar de vennootschap niet langer voldoet aan de voorwaarden om een verplichte consolidatie op te stellen.

    Is de vennootschap dan verplicht om het mandaat met de commissaris voor de volledige periode uit te laten werken?

    Of kan dit mandaat vervroegd worden stopgezet? »

     

  2. Uit de bijkomende elementen die overgemaakt werden, begrijpt het ICCI dat een commissaris aangesteld werd in juni 2025, voor de controle van zowel de statutaire als de geconsolideerde jaarrekening. Het mandaat is verleend voor boekjaren 2025, 2026 en 2027.

     

  3. De vraag heeft betrekking op de opzegging van de commissaris en op de wettige redenen die tot een dergelijke opzegging kunnen leiden.

     

    Overeenkomstig artikel 3:61 WVV is de commissaris benoemd voor een mandaat van drie jaar. Deze termijn is tegelijk een dwingende minimum- en maximumtermijn[1]. De onderbreking van het commissarismandaat vóór het einde van de termijn van drie jaar vormt een uitzondering en dient dus strikt te worden geïnterpreteerd[2].

     

  4. Het feit dat de vennootschap niet meer beantwoordt aan de criteria die een vennootschap verplichten om een commissaris aan te stellen, kan niet worden beschouwd als een wettige reden[3].

     

  5. Volgens art. 3:77 WVV gebeurt de controle van de geconsolideerde jaarrekening in beginsel door de commissaris van de moedervennootschap of, in geval van een consortium, van een commissaris van één van die vennootschappen. Er kan evenwel ook een andere bedrijfsrevisor of een geregistreerd auditkantoor worden aangesteld voor de controle van de geconsolideerde jaarrekening. In dat laatste geval wordt in het derde lid van artikel 3:77 WVV gemeld dat de artikelen 3:62-3:67 VWW van toepassing zijn. Daaruit kan worden afgeleid dat de termijn van drie jaar voor het mandaat van de commissaris niet geldt voor die bedrijfsrevisor of dat extern auditkantoor: die is immers opgenomen in art. 3:61 WVV.

     

    Het is niet meteen duidelijk wat daaruit mag worden afgeleid voor de commissaris die ook is benoemd voor de controle van de geconsolideerde jaarrekening. Een teleologische lezing zou kunnen zijn dat ook het mandaat van de commissaris niet is gebonden aan de termijn van drie jaar voor de controle op de geconsolideerde jaarrekening, maar deze lezing gaat in tegen de letter van de wet, en vindt voor zover het ICCI kon nagaan ook geen steun in de doctrine.[4]

    Het lijkt in ieder geval vanzelfsprekend dat, als de moedervennootschap gedurende het mandaat van de commissaris ophoudt te zijn onderworpen aan de consolidatieverplichting, dat gedeelte van zijn opdracht vervalt wegens een gebrek aan voorwerp.

     

  6. Indien de controle van de geconsolideerde jaarrekening zonder voorwerp wordt, doet dit ook geen afbreuk aan de voortzetting van het mandaat van de commissaris voor de controle van de enkelvoudige jaarrekening tot het einde van het mandaat. De afschaffing van de verplichting voor de commissaris om de geconsolideerde jaarrekening te controleren, zou een bespreking met de commissaris over het niveau van zijn erelonen kunnen rechtvaardigen, maar dit moet in onderling overleg gebeuren en worden goedgekeurd door de algemene vergadering.[5]

     

  7. Het mandaat als commissaris voor de enkelvoudige statutaire rekening kan dus niet vroegtijdig worden beëindigd omdat de vennootschap niet langer voldoet aan de voorwaarden om een verplichte consolidatie op te stellen. Dergelijke vroegtijdige beëindiging is in beginsel een schending van het WVV, en de betrokken revisor heeft in principe recht op een schadevergoeding[6].

     

  8. Met betrekking tot de consolidatieplicht preciseert het ICCI tot slot nog het volgende: de bepalingen inzake consolidatieplicht, zoals opgenomen in de artikelen 3:23 e.v. WVV, stellen dat een moedervennootschap een geconsolideerde jaarrekening en een jaarverslag over de geconsolideerde jaarrekening moet opstellen indien zij één of meer dochterondernemingen controleert.[7]

     

    Op dit algemene principe bestaan een aantal uitzonderingen:

    1. Een groep van beperkte omvang[8]: een vennootschap wordt van de consolidatieplicht vrijgesteld indien zij niet meer dan één van de criteria van art 1:26 WVV overschrijdt (en dit gedurende twee opeenvolgende boekjaren, cf. art. 1:24 §2 WVV):

      -          jaargemiddelde aantal werknemers: 250 VTE;

      -          jaaromzet: 42.500.000 euro;

      -          balanstotaal: 21.250.000 euro.

      Deze vrijstelling vervalt zodra één van de te consolideren vennootschappen genoteerd is (art. 3:27 WVV).

       

    2. Subconsolidatie: een vennootschap wordt vrijgesteld van de consolidatieplicht indien zij zelf de dochtervennootschap is van een moedervennootschap die een geconsolideerde jaarrekening opstelt, laat controleren en openbaar maakt.[9]

       

    3. Een moedervennootschap die alleen maar dochterondernemingen heeft die slechts van te verwaarlozen betekenis zijn, wordt vrijgesteld van de consolidatieplicht.[10]

       

      In dit verband rijst de vraag vanaf welk boekjaar de vrijstelling van de consolidatieplicht – zoals vermeld in de vraag – uitwerking heeft.

      Op basis van voormelde bepalingen en de concrete cijfers van de betrokken vennootschap(sgroep), moet een feitelijke analyse worden uitgevoerd om te bepalen of er in casu een consolidatieplicht en bijhorende controle-opdracht voor de commissaris bestaan.


      [1] B. Tilleman, Het statuut van de commissaris, 2007, p.10.

      [2] Voor een volledig overzicht over de mogelijkheden om een mandaat voortijdig te beëindigen, zie Advies 2019/10 IBR Onderbreking van het commissarismandaat.

      [3] Kh. Dendermonde (2de k.), 16 juni 2011, T.R.V., 2013, p. 274; Kh. Dendermonde (2de k.), 27 juni 2013, D.A.O.R., 2013/3 nr. 107, p. 277; I. De Poorter, “Artikel 135 W. Venn.”, Artikelsgewijze commentaren vennootschappen en verenigingen, Anvers, Kluwer, 2010, p. 33; Studies IBR, « De vennootschap en haar commissaris », 2004, p. 55; IBR Advies 2019/10 van 9 april 2019.

      [4] Onder het vroegere Wetboek van Vennootschappen werd de bedrijfsrevisor die, zonder commissaris te zijn, belast was met de controle van de geconsolideerde jaarrekening, benoemd voor een termijn van drie jaar (art. 146, derde lid W.Venn.). Het ICCI begrijpt niet dat deze regel zonder enige uitdrukkelijke motivering werd gewijzigd bij de invoering van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen in 2019. Deze incoherentie lijkt dan ook het gevolg van een onbedoelde lacune en zou bij voorkeur worden rechtgezet via een reparatiewet. Een benoeming voor meer dan één boekjaar vormt immers een wezenlijke waarborg voor de onafhankelijkheid van de revisor.

      [5] Zonder wettelijke verplichting ter zake, kan het in de praktijk nuttig zijn dat de algemene vergadering afzonderlijke erelonen vastlegt voor (i) de statutaire opdracht met betrekking tot de enkelvoudige jaarrekening en (ii) de controle van de geconsolideerde jaarrekening (teneinde latere eventuele aanpassingen transparant te faciliteren).

      [6] Bovendien bepaalt artikel 3:66 §2 WVV dat zowel de gecontroleerde vennootschap als de commissaris het College van toezicht op de Bedrijfsrevisoren in kennis moeten stellen van hetzij het ontslag, hetzij de opzegging van de commissaris tijdens zijn opdracht en op afdoende wijze de redenen hiervoor moeten uiteenzetten, ongeacht of de voortijdige onderbreking van het mandaat al dan niet in onderling overleg is overeengekomen.

      [7] Art. 3:23, eerste lid WVV.

      [8] Art. 3:25 WVV.

      [9] Art. 3:26 §1 WVV.

      [10] Art. 3:23, tweede lid WVV.

______________________________

Disclaimer: Hoewel het Informatiecentrum voor het Bedrijfsrevisoraat (ICCI) met de grootste zorgvuldigheid de ontvangen vragen behandelt en hiervoor beroep doet op personen met de vereiste bekwaamheden, wordt ten aanzien van de antwoorden geen enkele garantie geboden en draagt het geen enkele contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid voor de eventuele schade die zou kunnen voortvloeien uit feitelijke of juridische vergissingen die werden begaan in het kader van de verstrekte antwoorden en informatie. Het antwoord wordt alleen in de taal van de vraagsteller overgenomen. De lezer en in het algemeen de gebruiker van dit antwoord blijft als enige verantwoordelijk voor het gebruik daarvan.