16 juni 2026

* Update september 2026 *

Vraagstelling

De finale herziene Europese Sustainability Reporting Standards (ESRS) bevatten in sectie 8.2 van ESRS 1 specifieke bepalingen over de presentatie van aanvullende informatie (“supplementary information”) in de duurzaamheidsinformatie.

Paragraaf 107 behandelt aanvullende informatie die voortvloeit uit andere wetgeving die duurzaamheidsinformatie vereist, of uit algemeen aanvaarde rapporteringsstandaarden of -raamwerken, met inbegrip van niet-bindende richtlijnen en sectorspecifieke richtlijnen van andere standaardsetters. Deze informatie mag in de gerapporteerde duurzaamheidsinformatie worden opgenomen, zelfs wanneer deze niet materieel is volgens de dubbele materialiteitsanalyse onder de herziene ESRS, op voorwaarde dat deze supplementaire informatie duidelijk wordt geïdentificeerd met een passende verwijzing naar de betrokken wetgeving, standaard, of het betrokken raamwerk.

Paragraaf 108 behandelt een andere situatie. Wanneer dit nodig is om tegemoet te komen aan de informatiebehoeften van een specifieke gebruiker, mag de onderneming aanvullende toelichtingen opnemen die niet materieel zijn.

Hoewel dit advies zich focust op paragrafen 107 en 108, dient ook paragraaf 109 te worden meegenomen. Informatie die onder paragrafen 107 en 108 wordt opgenomen, moet volgens paragraaf 109 (i) duidelijk worden geïdentificeerd als informatie die niet uit de materialiteitsanalyse voortvloeit, (ii) een getrouwe weergave geven van de aspecten die zij beoogt weer te geven, en (iii) zodanig worden gepresenteerd dat materiële informatie niet wordt verhuld.

Tegen deze achtergrond worden de volgende vragen gesteld:

  • Wat wordt bedoeld met aanvullende informatie onder paragrafen 107 en 108 van ESRS 1?
  • Wanneer kan een onderneming niet-materiële informatie toch opnemen in haar duurzaamheidsrapportering?
  • Wat is het verschil tussen aanvullende informatie uit andere wetgeving, standaarden of raamwerken enerzijds, en aanvullende informatie die wordt opgenomen om tegemoet te komen aan de informatiebehoeften van een specifieke gebruiker anderzijds?
  • Welke presentatievereisten en kwaliteitswaarborgen gelden voor dergelijke aanvullende informatie?
  • Hoe kan dit concreet worden toegepast in de rapporteringspraktijk?

Analyse

a. Aanvullende informatie is geen alternatief voor de materialiteitsbeoordeling

De ESRS vertrekken van de dubbele materialiteitsanalyse. De kern van de duurzaamheidsinformatie bestaat uit informatie over materiële impacten, risico’s en opportuniteiten (IROs) en over de wijze waarop de onderneming daarmee omgaat. Informatie die op basis van de ESRS materieel is, dient dus te worden opgenomen in de relevante onderdelen van de duurzaamheidsinformatie (dus te linken aan de relevante thematische standaarden). Voor niet-materiële IRO’s bestaat in beginsel geen rapporteringsverplichting onder ESRS. Dit mag echter niet te absoluut worden gelezen: paragrafen 107 en 108 laten toe dat bepaalde niet-materiële aanvullende informatie wordt opgenomen, mits deze duidelijk wordt geïdentificeerd als aanvullende informatie en de materiële ESRS-informatie niet verhult of naar de achtergrond duwt. Niet-materiële informatie mag dus niet worden voorgesteld als materiële ESRS-informatie die uit de dubbele materialiteitsanalyse voortvloeit.

Paragrafen 107 en 108 laten wel toe dat een onderneming, naast de door ESRS vereiste materiële informatie, bepaalde aanvullende informatie opneemt. Deze bepalingen vormen dus geen vrijstelling en geen omweg rond de materialiteitsanalyse. Zij laten enkel toe dat bijkomende informatie wordt opgenomen wanneer daar een duidelijke externe basis of gebruikersbehoefte voor bestaat.

De onderneming dient daarbij te vermijden dat de lezer de indruk krijgt dat alle opgenomen informatie dezelfde status heeft. Materiële ESRS-informatie, entiteit-specifieke toelichtingen die nodig zijn om materiële IROs te begrijpen, en aanvullende niet-materiële informatie hebben elk een andere functie. Die verschillen dienen zichtbaar te blijven in de structuur en presentatie van de duurzaamheidsverklaring.

b. Paragraaf 107: aanvullende informatie uit andere wetgeving, standaarden of raamwerken

Paragraaf 107 heeft betrekking op informatie die haar oorsprong vindt in een externe bron. Het kan gaan om andere wetgeving die duurzaamheidsinformatie vereist, of om algemeen aanvaarde standaarden of raamwerken, met inbegrip van niet-bindende guidance en sectorspecifieke guidance van andere standaardsetters, zoals bijvoorbeeld de Global Reporting Initiative (GRI).

Het belangrijke punt is dat deze informatie in de duurzaamheidsrapportering mag worden opgenomen, zelfs wanneer de informatie niet materieel is op basis van de dubbele materialiteitsanalyse. De onderneming moet dan wel duidelijk vermelden op welke wetgeving, standaard, richtlijn, of welk raamwerk de informatie is gebaseerd.

Paragraaf 107 kan bijvoorbeeld nuttig zijn voor ondernemingen die om redenen van continuïteit, sectorpraktijk of internationale vergelijkbaarheid, bepaalde GRI-gegevens, sectorspecifieke indicatoren of andere duurzaamheidsinformatie blijven rapporteren, ook wanneer die gegevens niet als materieel werden geïdentificeerd onder ESRS.

Dit betekent echter niet dat de onderneming onbeperkt alle beschikbare informatie uit andere raamwerken in de duurzaamheidsverklaring zou mogen opnemen. Hoe meer niet-materiële informatie wordt toegevoegd, hoe groter het risico dat de duurzaamheidsinformatie/verslag minder leesbaar wordt en dat materiële informatie minder duidelijk naar voren komt. De onderneming dient dus een redelijke selectie te maken en de aanvullende informatie zichtbaar onderscheiden van de ESRS-informatie die voortvloeit uit de materialiteitsanalyse.

c. Paragraaf 108: aanvullende informatie voor de informatiebehoeften van een specifieke gebruiker

Paragraaf 108 heeft een andere invalshoek. Deze bepaling ziet niet noodzakelijk op informatie die voortvloeit uit een andere wetgeving of een algemeen aanvaard rapporteringsraamwerk, maar op informatie die wordt opgenomen om tegemoet te komen aan de databehoeften van een specifieke gebruiker.

Een specifieke gebruiker kan bijvoorbeeld een belangrijke financier, een belangrijke klant, een sectororganisatie, een ratingbureau, een overheid of een andere partij zijn die een concreet en terugkerend informatieverzoek heeft. De onderneming mag dergelijke informatie opnemen wanneer deze nuttig is om aan deze behoefte tegemoet te komen, zelfs wanneer de informatie niet materieel is volgens de dubbele materialiteitsanalyse.

Dezelfde presentatievereisten gelden voor aanvullende informatie onder paragrafen 107 en 108. Paragraaf 109 vereist dat deze informatie duidelijk wordt geïdentificeerd als informatie die niet uit de materialiteitsanalyse voortvloeit, een getrouwe weergave geeft en materiële informatie niet verhult.

In de praktijk betekent dit dat de onderneming best vermijdt om dergelijke informatie tussen materiële ESRS-toelichtingen te plaatsen zonder duidelijke markering. Een afzonderlijke rubriek of bijlage met een titel zoals “Aanvullende informatie – niet voortvloeiend uit de materialiteitsanalyse” zal vaak veel duidelijker presenteren.

d. Onderscheid met entiteit-specifieke toelichtingen

Aanvullende informatie dient te worden onderscheiden van entiteit-specifieke toelichtingen. Wanneer een materiële IRO niet, of niet voldoende, wordt afgedekt door de standaardtoelichtingen van ESRS, dan dient de onderneming entiteit-specifieke informatie verstrekken om gebruikers toch een volledig en relevant beeld te geven. In dat geval gaat het niet om “supplementary information” in de zin van paragrafen 107 of 108, maar om informatie die nodig is om een materieel onderwerp getrouw te rapporteren.

Voorbeeld: als een onderneming een materiële impact identificeert rond het gebruik van een zeer specifieke chemische stof in haar productieproces, maar de relevante ESRS-toelichtingen onvoldoende detail bieden, dan dient de vennootschap mogelijk een entiteit-specifieke toelichting ontwikkelen. Dit is geen facultatieve aanvullende informatie. Het is informatie die nodig is omdat de IRO materieel is en relevant voor de gebruikers.

Omgekeerd kan informatie over bijvoorbeeld een niet-materiële indicator uit een GRI-standaard, of een niet-materiële KPI die door een bank of klant wordt gevraagd, wel onder paragrafen 107 of 108 vallen, op voorwaarde dat deze duidelijk als aanvullende informatie wordt geïdentificeerd.

e. Voorbeeld 1 – eigen operaties: waterinformatie volgens GRI 303 water niet materieel is op basis van de ESRS dubbele materialiteitsanalyse (DMA)

Stel een productieonderneming met meerdere sites in West-Europa. De onderneming voert een DMA uit en besluit dat wateronttrekking en waterlozingen geen materiële IRO vormen. De sites bevinden zich niet in waterstressgebieden, het productieproces is beperkt waterintensief en er zijn geen belangrijke lokale klachten, vergunningstekorten of risico’s geïdentificeerd.

De onderneming rapporteerde in het verleden echter vrijwillig volgens GRI en wil om redenen van continuïteit en vergelijkbaarheid, de totale wateronttrekking in m³ blijven opnemen in haar ESRS duurzaamheidsinformatie. Sommige investeerders en klanten vergelijken deze informatie bovendien met sectorgenoten.

In deze situatie kan de onderneming de waterinformatie opnemen als aanvullende informatie onder paragraaf 107, bijvoorbeeld in een afzonderlijke bijlage of sub-rubriek. De informatie dient duidelijk worden aangeduid als aanvullende informatie (best dus in een aparte sectie) die is opgesteld met verwijzing naar GRI 303, en niet als informatie die voortvloeit uit een materiële ESRS-IRO.

Een mogelijke formulering is bijvoorbeeld:

“De dubbele materialiteitsanalyse heeft wateronttrekking en waterlozingen niet geïdentificeerd als materiële impacten, risico’s of opportuniteiten voor de groep. Om continuïteit met eerdere vrijwillige GRI-rapportering te bewaren, neemt de onderneming in deze bijlage/sectie evenwel aanvullende informatie op over totale wateronttrekking in m³, opgesteld met verwijzing naar GRI 303. Deze informatie vormt geen ESRS-toelichting die voortvloeit uit de materialiteitsbeoordeling.”

Dit voorbeeld illustreert dat paragraaf 107 kan helpen om continuïteit met eerdere vrijwillige rapportering te bewaren, zonder dat de onderneming haar materialiteitsconclusie hoeft te wijzigen. De lezer dient wel onmiddellijk te begrijpen dat het om aanvullende informatie gaat en niet om een materieel ESRS-onderwerp.

Indien de onderneming daarentegen water als materieel heeft geïdentificeerd, volstaat het niet om waterinformatie enkel in een aanvullende bijlage op te nemen. Dan moet de informatie worden geïntegreerd in de relevante materiële ESRS-toelichtingen en, indien nodig, worden aangevuld met entiteit-specifieke informatie.

f. Voorbeeld 2 – aanvullende informatie uit ISSB/IFRS S2: activa of bedrijfsactiviteiten kwetsbaar voor fysieke klimaatrisico’s

Een tweede voorbeeld van aanvullende informatie onder paragraaf 107 betreft informatie die afkomstig is uit de ISSB-standaarden, meer bepaald IFRS S2 Climate-related Disclosures. IFRS S2 bevat onder meer cross-industry metric categories. Een daarvan betreft de toelichting van het bedrag en het percentage van activa of bedrijfsactiviteiten die kwetsbaar zijn voor klimaat-gerelateerde fysieke risico’s.

Stel een Belgische vastgoed- of logistieke onderneming met magazijnen, winkels of kantoren in verschillende Europese regio’s. Uit de ESRS-dubbele materialiteitsanalyse blijkt dat fysieke klimaatrisico’s, zoals overstroming, hitte of stormschade, voor de onderneming niet als materiële impact, risico of opportuniteit werden geïdentificeerd. De onderneming beschikt bijvoorbeeld over “beperkte” blootstelling aan hoog-risicogebieden, adequate verzekeringsdekking en geen significante incidenten of verwachte financiële effecten op korte of middellange termijn.

De onderneming wil evenwel, omwille van internationale vergelijkbaarheid en de informatiebehoeften van investeerders die ISSB-informatie gebruiken, een ISSB-geïnspireerde indicator opnemen: het bedrag en percentage van de vastgoedactiva die volgens haar interne fysieke klimaatrisicoanalyse zijn gelegen in zones met verhoogd overstromings- of hittestressrisico. Deze informatie is gebaseerd op IFRS S2, paragraaf 29(c), en kan bijgevolg als aanvullende informatie onder paragraaf 107 worden opgenomen, zelfs wanneer het betrokken onderwerp niet materieel is volgens de ESRS-materialiteitsanalyse.

Een mogelijke formulering is bijvoorbeeld:

“De dubbele materialiteitsbeoordeling heeft fysieke klimaatrisico’s niet geïdentificeerd als materiële impacten, risico’s of opportuniteiten voor de groep. Ter ondersteuning van internationale vergelijkbaarheid met gebruikers die ISSB/IFRS S2-informatie opvolgen, neemt de onderneming in deze bijlage aanvullende informatie op over activa die kwetsbaar zijn voor klimaat-gerelateerde fysieke risico’s. Deze aanvullende informatie is opgesteld met verwijzing naar IFRS S2, paragraaf 29(c). Op basis van de interne fysieke klimaatrisicoanalyse vertegenwoordigen activa in zones met verhoogd overstromings- of hittestressrisico 4% van de boekwaarde van de vastgoedportefeuille. Deze informatie vormt geen ESRS-toelichting die voortvloeit uit de materialiteitsanalyse.”

Dit voorbeeld voldoet aan paragraaf 107 omdat de informatie haar oorsprong vindt in een algemeen aanvaarde duurzaamheidsrapporteringsstandaard, namelijk IFRS S2 van de ISSB, en omdat de onderneming de informatie duidelijk identificeert als aanvullende informatie met een passende verwijzing naar de betrokken standaard. De onderneming dient wel te vermijden dat de lezer de indruk krijgt dat fysieke klimaatrisico’s materieel zijn onder ESRS wanneer de materialiteitsbeoordeling tot de tegengestelde conclusie kwam.  De indicatie “4% van boekwaarde” helpt dan in dit opzicht in het hypothetisch voorbeeld hierboven.

Indien fysieke klimaatrisico’s daarentegen wél materieel zijn onder ESRS, kan de onderneming deze ISSB-informatie niet louter als aanvullende informatie behandelen. Dan moet de informatie worden geïntegreerd in de relevante materiële ESRS-toelichtingen, en kan de ISSB-indicator hoogstens bijkomend helpen om die materiële ESRS-informatie verder te onderbouwen of internationaal vergelijkbaar te maken.

g. Voorbeeld 3 – waardeketen: leveranciersinformatie gevraagd door een belangrijke klant

Stel een Belgische B2B-onderneming die technische componenten levert aan enkele grote internationale klanten. Uit haar dubbele materialiteitsanalyse blijkt dat bepaalde waardeketenonderwerpen, zoals mensenrechtenrisico’s bij directe leveranciers, niet materieel zijn voor de onderneming. De onderneming koopt hoofdzakelijk gestandaardiseerde componenten aan bij gevestigde EU-leveranciers, heeft beperkte blootstelling aan hoog-risicolanden en heeft geen significante incidenten of klachten geïdentificeerd.

Een belangrijke klant vraagt echter jaarlijks specifieke leveranciersinformatie op, bijvoorbeeld het percentage directe leveranciers dat de leveranciersgedragscode heeft ondertekend, het percentage aankoopvolume dat onder contractuele duurzaamheidsclausules valt en het aantal leveranciersbeoordelingen dat in het verslagjaar werd uitgevoerd.

Deze informatie kan voor de klant nuttig zijn in diens eigen waardeketenrapportering, maar is voor de rapporterende onderneming niet materieel volgens haar eigen ESRS-materialiteitsanalyse. De onderneming kan dan beslissen om deze informatie als aanvullende informatie op te nemen onder paragraaf 108, voor zover zij duidelijk vermeldt dat de informatie niet voortvloeit uit de materialiteitsanalyse en voor zover deze de materiële informatie niet overschaduwt.

Een mogelijke formulering is bijvoorbeeld:

“De onderstaande leveranciersindicatoren werden niet geïdentificeerd als materiële ESRS-informatie op basis van de dubbele materialiteitsanalyse van de groep. Deze worden opgenomen als aanvullende informatie om tegemoet te komen aan terugkerende dataverzoeken van belangrijke klanten. De indicatoren hebben betrekking op directe leveranciers en dekken 91% van het aankoopvolume. In 20X6 had 95% van de directe leveranciers de leveranciersgedragscode ondertekend, viel 88% van het aankoopvolume onder contractuele duurzaamheidsclausules en werden 34 leveranciersbeoordelingen uitgevoerd.”

Dit voorbeeld toont het verschil tussen een waardeketenonderwerp dat niet materieel is voor de onderneming zelf en aanvullende waardeketeninformatie die vooral nuttig is voor een specifieke gebruiker. De informatie mag worden opgenomen, maar moet correct worden gelabeld. De onderneming mag niet de indruk wekken dat deze indicatoren het resultaat zijn van de ESRS-materialiteitsanalyse wanneer dat niet het geval is.

De onderneming dient ook op te letten met de betrouwbaarheid en afbakening van de data. Als de indicator enkel directe leveranciers dekt, dient dat duidelijk worden vermeld. Als de indicator bepaalde productgroepen, regio’s of aankopen uitsluit, dient de lezer dat te kunnen begrijpen. 

h. Voorbeeld 4 – wat is niet aangewezen?

Niet elke nuttige of commercieel aantrekkelijke informatie hoort thuis in de duurzaamheidsrapportering. Een onderneming die tientallen pagina’s met prijzen, certificaten, marketingclaims, detailtabellen of projectbeschrijvingen toevoegt zonder duidelijke koppeling met wetgeving, een standaard, een raamwerk of een concrete gebruikersbehoefte, loopt het risico dat de ESRS duurzaamheidsinformatie minder begrijpelijk wordt.

Evenmin is het aangewezen om niet-materiële aanvullende informatie visueel sterker te presenteren dan materiële ESRS-informatie. Als bijvoorbeeld een onderneming een groot aantal niet-materiële “positieve” indicatoren opneemt in de hoofdtekst, terwijl de materiële negatieve impacten slechts beperkt en verspreid worden besproken, kan dit de evenwichtige presentatie en begrijpelijkheid aantasten.

Uiteraard gaat zich de vraag stellen of de jaarlijkse ESRS duurzaamheidsinformatie de meest geschikte manier is om aan verzoeken van individuele gebruikers te voldoen, en of andere niet eerder directe communicatie met de betrokken gebruiker of gebruikers, niet meer aangewezen is.

Een praktische vuistregel is dat aanvullende informatie de duurzaamheidsinformatie dient te verduidelijken of nuttig aanvullen, niet verzwaren of sturen. Deze mag geen instrument worden om materiële informatie minder zichtbaar te maken.

i. Presentatie en documentatie in de praktijk

In de praktijk is het aangewezen om aanvullende informatie systematisch te documenteren en te presenteren. Een onderneming kan bijvoorbeeld een korte tabel opnemen met de volgende elementen: de titel van de aanvullende informatie, de oorsprong ervan, de reden voor opname, de materialiteitsstatus, de gebruikte scope, de eventuele beperkingen en de verwijzing naar de betrokken wetgeving, standaard, richtlijnen, raamwerk of gebruikersvraag.

Voor paragraaf 107 ligt de nadruk op de verwijzing naar de externe bron: welke wetgeving, standaard of welk raamwerk ligt aan de basis van de informatie? Voor paragraaf 108 ligt de nadruk op de specifieke databehoefte van een gebruiker. Voor beide categorieën gelden daarnaast de gemeenschappelijke presentatievereisten van paragraaf 109.

De onderneming kan aanvullende informatie opnemen in een afzonderlijke bijlage of duidelijk aparte sub-rubriek binnen de duurzaamheidsrapportering. Dat is vaak overzichtelijker dan aanvullende informatie tussen de materiële ESRS-toelichtingen te mengen. Wanneer de informatie toch in de relevante thematische sectie wordt opgenomen, dient deze duidelijk te worden aangemerkt als dusdanig.

Informatie Basis Materieel? Voorstelling Aandachtspunt
Wateronttrekking in m³ GRI 303 / historische vrijwillige rapportering Nee Bijlage aanvullende informatie Duidelijk maken dat water niet als materiële IRO werd geïdentificeerd
Activa kwetsbaar voor fysieke klimaatrisico’s IFRS S2, par. 29(c) / ISSB-informatie voor internationale vergelijkbaarheid Nee Bijlage aanvullende informatie onder par. 107 Duidelijk maken dat de informatie aanvullend is en niet voortvloeit uit de ESRS-materialiteitsanalyse
Leverancierscode ondertekend door directe leveranciers Dataverzoek belangrijke klant Nee Sub-rubriek “niet voortvloeiend uit materialiteitsbeoordeling” Scope beperken tot directe leveranciers en aankoopvolume toelichten
Indicator over specifieke chemische stof in eigen productie Materiële IRO onvoldoende afgedekt door standaardmetric Ja Geen aanvullende informatie, maar entiteit-specifieke toelichting Niet behandelen als aanvullende informatie

j. Aandachtspunten voor assurance

Vanuit assurance-oogpunt is het belangrijk dat aanvullende informatie niet als “vrijblijvend” of “buiten scope” wordt behandeld louter omdat deze niet materieel is volgens de ESRS-materialiteitsanalyse. Als de informatie in de duurzaamheidsrapportering wordt opgenomen, zal de commissaris of bedrijfsrevisor dienen te beoordelen hoe deze informatie zich verhoudt tot het voorwerp en de scope van de assurance-opdracht.

Voor de bedrijfsrevisor zijn vooral de volgende vragen relevant: is de informatie duidelijk geïdentificeerd als aanvullend? Is de basis voor opname voldoende duidelijk en is de argumentatie relevant? Is de informatie betrouwbaar en getrouw voorgesteld? Wordt de scope voldoende toegelicht? Wordt materiële informatie niet overschaduwd? En zijn eventuele beperkingen of veronderstellingen transparant vermeld?

De onderneming doet er daarom goed aan om voor elke aanvullende toelichting intern te documenteren waarom deze wordt opgenomen, op welke bron of gebruikersbehoefte zij steunt, welke gegevensbronnen werden gebruikt, welke controles werden uitgevoerd en hoe de onderneming vermijdt dat de informatie materiële ESRS-informatie verhult.

Conclusie

Op basis van de finale herziene tekst van ESRS 1 kan het volgende worden vastgesteld:

  1. Paragrafen 107 en 108 laten toe dat een onderneming aanvullende informatie opneemt in haar duurzaamheidsrapportering, ook wanneer die informatie niet materieel is volgens de dubbele materialiteitsanalyse;
  2. Paragraaf 107 betreft aanvullende informatie uit andere duurzaamheidswetgeving of uit algemeen aanvaarde standaarden, raamwerken, niet-bindende richtlijnen of sectorspecifieke richtlijnen. Voorbeelden zijn GRI-informatie en ISSB-informatie.  De onderneming dient de betrokken bron duidelijk te identificeren; De gemeenschappelijke presentatievereisten van paragraaf 109 zijn eveneens van toepassing;
  3. Paragraaf 108 heeft betrekking op aanvullende informatie die wordt opgenomen om tegemoet te komen aan de databehoeften van een specifieke gebruiker. In dat geval dient de onderneming duidelijk te vermelden dat deze informatie niet voortvloeit uit de materialiteitsanalyse en moet de vennootschap ervoor zorgen dat de informatie materiële ESRS-informatie niet verhult; De gemeenschappelijke presentatievereisten van paragraaf 109 zijn eveneens van toepassing;
  4. Aanvullende informatie mag niet worden verward met entiteit-specifieke toelichtingen. Als een IRO materieel is en niet voldoende door de standaard-ESRS wordt afgedekt, dient de onderneming relevante entiteit-specifieke informatie te verstrekken. Dat is geen facultatieve aanvullende informatie;
  5. De opname van aanvullende informatie wijzigt de materialiteitsconclusie niet. Een niet-materiële indicator wordt dus niet automatisch materieel omdat deze in de duurzaamheidsinformatie wordt opgenomen als aanvullende informatie. Omgekeerd mag materiële informatie niet als aanvullend worden behandeld om minder zichtbaar of minder volledig te rapporteren;
  6. Aanvullende informatie dient getrouw te worden weergegeven. Dit betekent dat de informatie betrouwbaar, voldoende afgebakend, begrijpelijk en niet misleidend dient te zijn. Ook de scope, eventuele beperkingen en de gebruikte bron dienen duidelijk te zijn;
  7. In de praktijk is het aangewezen om aanvullende informatie in een afzonderlijke bijlage of duidelijk gemarkeerde sub-rubriek “Aanvullende informatie” op te nemen, met een korte toelichting over de oorsprong, de reden voor opname, de materialiteitsstatus en de gebruikte basis voor voorbereiding;
  8. Voor de commissaris of bedrijfsrevisor is vooral van belang dat aanvullende informatie duidelijk is afgebakend, correct gelabeld, niet strijdig is met de materialiteitsanalyse, geen materiële informatie verbergt en een getrouwe weergave vormt van wat deze informatie pretendeert te meten of toe te lichten.