Belgische excess profit rulings hebben Europeesrechtelijk behoorlijk wat juridische deining veroorzaakt. Zo werden op 20 september 2023 10 vonnissen geveld door het Gerecht van Eerste Aanleg van de EU inzake deze rulings 1 . Tegen 7 vonnissen werd opnieuw een hogere voorziening ingediend bij het Europese Hof van Justitie. 2 De zaken zijn momenteel nog steeds aanhangig voor het Hof. Het Hof werd echter ook al eerder in deze saga betrokken 3 en vernietigde een vroeger arrest van het Gerecht 4 .
De lawine aan uitspraken vindt haar oorsprong in een besluit van de Europese Commissie van 11 januari 2016, waarin de Commissie besloot dat België middels deze rulings onrechtmatige staatssteun had verleend. 5 De verleende onrechtmatige staatssteun, geraamd op een totaal bedrag van 764 miljoen EUR, moest volgens de Europese Commissie worden teruggevorderd, waarna zowel de Belgische Staat, als diverse betrokken ondernemingen zich hiertegen verzetten.
De rulings betreffen de toepassing van art. 185, §2 WIB 1992, in de versie zoals ingevoerd bij Wet van 21 juni 2004. 6 Over de periode van 2005 t/m 2014 werden in totaal 66 rulings verleend aan 55 vennootschappen. 39 ondernemingen hebben daadwerkelijk van deze rulings gebruik gemaakt. Na de beslissing van de Commissie werden tot op heden geen excess profit rulings meer afgeleverd en werd het wetgevend kader aangepast.
Het moge duidelijk zijn dat deze zaken van bijzonder belang zijn (geweest) voor zowel de Belgische Staatskas, als enkele belangrijke grote in België gevestigde spelers. Daarom wordt één en ander hierna kort geduid. Deze bijdrage beoogt geen grondige boekhoudkundige of revisorale analyse van de gevolgen van een verkregen excess profit ruling voor een Belgische onderneming, maar licht het juridisch kader toe waarop deze rulings, alsook de veroordelingen vanuit Europese hoek, gebaseerd zijn.
De oorsprong van de gecontesteerde rulings ligt in art. 185, §2 WIB 1992, waarmee België uitvoering geeft aan bilaterale reacties tegen internationale winstverschuivingen tussen verbonden ondernemingen. Aldus voorziet België in zijn verdragen ter vermijding van dubbele belasting al decennia een bepaling op grond waarvan het de winst die een Belgische onderneming misloopt omdat ze in transacties met (buitenlandse) verbonden ondernemingen niet handelt tegen marktconforme prijzen 7 mee in de in België belastbare grondslag mag opnemen. 8 Dit wordt ook wel een ‘opwaartse correctie’ genoemd. Omgekeerd wordt deze verdragsbepaling in de regel aangevuld met een bijkomende paragraaf waarin de staat van de (niet marktconform) bevoordeelde onderneming een “passende herziening” doorvoert van de belastbare grondslag van de op zijn grondgebied belaste onderneming. 9 Dit is dan de ‘neerwaartse correctie’.
Hoewel het doel er conceptueel in bestaat beide correcties op elkaar af te stemmen en de winst derhalve te belasten bij de onderneming die deze in normale marktomstandigheden zou behalen, wordt elke aanpassing individueel door het betrokken land uitgevoerd. Om de precieze verlaging/verhoging van de belastbare grondslag te berekenen, zal de administratie van een land derhalve niet met de belastingadministratie van het andere betrokken land in overleg moeten treden. Elke administratie besluit autonoom welke vergoedingen een marktconforme transactie zouden zijn. Wordt de belastbare grondslag van een onderneming a in land A (wegens het verlenen van abnormale voordelen aan een onderneming b uit land B) meer verhoogd, dan het bedrag waarmee de resultaten van onderneming b uit land B worden verlaagd, wordt een deel van de inkomsten uit deze transactie derhalve aan beide belastingplichtigen toegerekend en dubbel belast. De belastingplichtige kan dan een overleg tussen beide belastingadministraties initiëren om deze correcties op elkaar te doen afstemmen. 10 Wordt daarentegen de winst in 1 staat meer verlaagd, zal deze staat zelf niet nagaan of de neerwaartse correctie aanleiding geeft tot een zelfde verhoging van de belastbare winst bij andere ondernemingen. Een deel van de winst die de verbonden ondernemingen (collectief) behalen, wordt derhalve niet langer belast.
In art. 185, §2, b) WIB 1992 voorzag België dat een verlaging van het belastbare resultaat werd verleend middels een voorafgaande beslissing, oftewel ‘ruling’. 11 Daarom werden, na invoering van deze regeling, rulings aangevraagd om voor nieuwe investeringsprojecten de belastbare grondslag van een Belgische onderneming te verlagen (‘neerwaartse correctie’) op basis van de winsten die deze onderneming slechts kon behalen dankzij het behoren tot een groep van verbonden vennootschappen. Aldus konden de resultaten van een groepsonderneming worden vergeleken met de resultaten die een onderneming normaal ‘op standalone basis’ in een normale marktomgeving geacht zou worden te verwezenlijken. Bijkomende winsten moesten derhalve geacht worden ‘abnormale winsten’ te zijn en konden uit de belastbare grondslag worden geweerd. Het behoren tot een groep van verbonden vennootschappen zal evenwel vaak leiden tot groepsoptimalisaties, waaronder synergiën, schaalvoordelen en andere groepsvoordelen, waardoor bijkomende winsten (‘excess profits’) kunnen worden gemaakt. Dit zijn dan de winsten waarvoor een neerwaartse correctie van de winst werd aanvaard, zonder na te gaan of deze winsten elders in het buitenland zouden zijn belast, dan wel aan welke onderneming deze precies zouden moeten worden toegerekend. Aldus werden internationale groepen gestimuleerd om bijkomend in België te investeren, zonder dat de hier behaalde winst (of althans een groot deel ervan) werd belast.
Na de betwistingen van het regime door de Europese Commissie werd de wettelijke regeling van de neerwaartse correctie in art. 185, §2 WIB 1992 gewijzigd. 12 Met ingang van 1 januari 2018 is een neerwaartse correctie enkel nog mogelijk voor winst die ook is opgenomen in de winst van vennootschappen “gevestigd in een Staat waarmee België een overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten”. Bovendien vereist de tekst voortaan expliciet dat de niet meer in hoofde van de Belgische vennootschap te belasten winst “in hoofde van die andere vennootschap reeds werd belast”. Tenslotte werd de vereiste dat deze correctie bij voorafgaande beslissing zou moeten worden verleend, opgeheven. Aldus kunnen ook reeds bestaande structuren van deze regeling gebruik maken. Het systeem van excess profit rulings, zoals voorheen toegepast, kan derhalve niet langer worden gebruikt. De juridische hetze betreft derhalve enkel de eerder verleende voorafgaande beslissingen.
Het verbod van staatssteun berust op art. 107 en 108 VWEU en wordt verder gestalte gegeven in Verordening 2015/1589/EU 13 . Aldus verbiedt art. 107 VWEU steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt. 14 Dergelijke steun is derhalve ‘onverenigbaar’ met de interne markt. Art. 107, lid 2 en 3 VWEU vermelden vervolgens bijzondere doelstellingen waarvoor lidstaten wel steunmaatregelen mogen invoeren.
Art. 108 VWEU regelt de procedurele bevoegdheden van de Europese Commissie. Hierbij is het van belang een onderscheid te maken tussen “bestaande steun” 15 en “nieuwe steun”. Inzake bestaande steun zijn de bevoegdheden van de Commissie immers beperkter. Aldus kan de Commissie enkel algemene regelingen toetsen en niet optreden tegen individuele steun. Bovendien is het niet mogelijk om terugvordering van de bestaande staatssteun te verlenen. 16
Nieuwe steunmaatregelen moeten echter vooraf bij de Commissie worden aangemeld, waarna de Commissie kan beoordelen of het al dan niet staatssteun vormt en of er eventueel rechtvaardigingsgronden zijn op basis waarvan de steun alsnog kan worden toegelaten. Oordeelt de Commissie daarentegen dat het gaat om onrechtmatige steun, mag de Lidstaat de aangemelde staatssteun niet invoeren. Wordt de procedure van art. 108 VWEU niet gevolgd, is sprake van ‘onrechtmatige steun’.
Als een Lidstaat nieuwe steunmaatregelen aanneemt in strijd met de in art. 108 VWEU voorziene regeling kan de Europese Commissie dit ambtshalve onderzoeken. Blijkt de steun onverenigbaar met de interne markt, dan moet de Commissie de terugvordering van het volledige netto-steunbedrag (incl. rente) door de steun-verlenende lidstaat bevelen. 17 Alle financiële voordelen verbonden aan de onrechtmatige staatssteun moeten worden weggenomen. Vanuit een Europese logica gaat het hier niet om schade geleden door de genieter van de steun, maar om de loutere rechtzetting van een onrechtmatige toestand. De verplichting tot teruggave kan derhalve niet worden geneutraliseerd met een aansprakelijkheidsvordering tegen de Lidstaat die de onrechtmatige steun heeft verleend. 18
De verdere praktische uitwerking van deze terugvordering is een opdracht voor de nationale staat. Hiervoor bestaan slechts enkele richtlijnen vanuit het Europees recht. Zo verjaart deze terugvordering van onrechtmatige steun pas na een termijn van 10 jaar vanaf de dag waarop de onrechtmatige steun als individuele steun of in het kader van een steunregeling aan de begunstigde is verleend. Bovendien moet de steun niet worden teruggevorderd, wanneer dit in strijd zou zijn met een algemeen beginsel van Unierecht. Aldus kan een begunstigde van staatssteun zich in zeer uitzonderlijke gevallen beroepen op het vertrouwensbeginsel, waarbij door het optreden van een EU-instelling deze begunstigde mocht vertrouwen op de rechtmatigheid van de verleende steun. 19 Het optreden van een lidstaat zelf kan evenwel nooit gerechtvaardigde verwachtingen opwekken in hoofde van de steungenieter.
Zowel de staat, die verplicht wordt de verleende steun terug te vorderen, als de individuele begunstigde van de steun, als eventuele concurrenten kunnen tegen een beslissing van de Commissie binnen de twee maanden vanaf de dag van de bekendmaking van de handeling een beroep tot nietigverklaring instellen bij het Gerecht van Eerste Aanleg. 20 Een hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht is vervolgens mogelijk bij het Hof van Justitie binnen twee maanden en 10 dagen.
Dat ook fiscale maatregelen als staatssteun kunnen worden gekwalificeerd, is alles behalve nieuw. 21 Aldus werd in 1997 een politieke resolutie gestemd waarbij de diverse EU-Lidstaten zich verbonden tot een zogenaamde “gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen”. 22 Hierin engageerden de Lidstaten zich belastingmaatregelen met potentieel schadelijke gevolgen te vermijden, dan wel af te schaffen. Hierbij werden maatregelen geviseerd die “een daadwerkelijk belastingniveau opleveren dat beduidend lager is, inclusief belasting tegen nultarief, dan die welke normaal gesproken in de betrokken lidstaat van toepassing zijn”. Er werd ook uitdrukkelijk aangegeven dat een deel van de met de gedragscode geviseerde belastingpraktijken wellicht als staatssteun zouden kwalificeren. Daarom werd erop gewezen dat de Commissie “medio 1998” richtsnoeren zou bekend maken 23 “voor de toepassing van de regels inzake steunmaatregelen van de staten op maatregelen betreffende de directe belasting op bedrijven” en “dat zij (sic de Commissie) zich ertoe verbindt er streng op toe te zien dat de regels inzake de bedoelde steunmaatregelen nauwgezet worden nageleefd”.
Een eerste mededeling van de Commissie kwam derhalve in 1998 24 , gevolgd door een veralgemeend verslag van 9 februari 2004 25 . Hierin worden de toetsingscriteria voor staatssteun verder toegelicht ten aanzien van fiscale maatregelen.
Aldus impliceert een voordeel dat de fiscale lasten die een onderneming normaal moet dragen worden verlicht door een vermindering van de belastbare grondslag, een vermindering van het belastingbedrag of uitstel/kwijtschelding van de belastingschuld, dan wel een uitzonderlijke spreiding van de betaling ervan.
Het verlies aan belastingopbrengsten zal steeds als een aanwending van staatsmiddelen worden gezien, ongeacht of het voordeel wordt verleend door een lagere overheid, een handeling van de belastingdienst of door middel van wettelijke of bestuursrechtelijke fiscale bepalingen.
Het handelsverkeer wordt ongunstig beïnvloed zodra de begunstigde onderneming een economische activiteit uitoefent die het voorwerp is van handel tussen lidstaten. De verleende steun versterkt immers de positie van deze onderneming ten opzichte van andere concurrerende ondernemingen in het intracommunautaire handelsverkeer. 26
Het moeilijkst te toetsen criterium betreft evenwel de vereiste van selectiviteit. Een selectief voordeel vloeit immers voort uit een uitzondering op de algemeen geldende fiscale bepalingen of een discretionair optreden van de belastingdienst in de toepassing van bepaalde fiscale regels. Een fiscaal stelsel bevat evenwel steeds bijzondere stimuli waarvan specifieke ondernemingen of sectoren meer dan andere belastingplichtigen profiteren. Het komt dan aan de lidstaat toe aan te tonen dat de genomen maatregelen “door hun economische rationaliteit noodzakelijk of functioneel voor de doeltreffendheid van het belastingstelsel zijn”. Men moet daarom eerst bepalen wat het algemeen geldend toepasselijk fiscaal stelsel (het referentiestelsel) is, om vervolgens in een tweede stap vast te stellen dat hiervan wordt afgeweken voor een belastingplichtige of een bepaalde categorie belastingplichtigen. In het kader van de aard en het opzet van een fiscaal stelsel aanvaardt de Commissie evenwel bijzondere afwijkingen. Zo worden afwijkende bepalingen voor kleine en middelgrote ondernemingen aanvaard als een vorm van fiscale progressie, of kunnen forfaitaire grondslagen in de landbouw- of visserijsector worden verantwoord. De derde en laatste stap in de selectiviteitstoets is bijgevolg het nagaan of de afwijking al dan niet kadert binnen de algemene logica van het belastingstelsel. In latere rechtspraak wordt evenwel uitdrukkelijk beklemtoond dat de inrichting van een stelsel van directe belastingen behoort tot de autonome bevoegdheid van elke lidstaat. Derhalve beslist in zekere zin elke lidstaat autonoom wat de wezenlijke kenmerken van zijn referentiestelsel inzake directe belastingen uitmaken en moet de Europese Commissie dit als een gegeven aanvaarden. 27
In het licht van de excess profit rulings past tenslotte in het bijzonder een vermelding van volgende overweging van de commissie: “Wanneer fiscale steun wordt toegekend om ondernemingen ertoe aan te zetten welbepaalde projecten (met name investeringsprojecten) te beginnen en de intensiteit ervan beperkt is in verhouding tot de kosten van de uitvoering van dat project, verschilt deze steun niet van een subsidie en kan hij dezelfde behandeling krijgen. In het kader van een dergelijke steunverlening moeten echter voldoende doorzichtige regels worden opgesteld, zodat met name het genoten voordeel kan worden gekwantificeerd.”
Eén van de eerste beslissingen van de Commissie rond staatssteun middels fiscale maatregelen is een beschikking van de Commissie van 10 juli 2002 omtrent een Fins voordeelregime voor captive insurance companies 28 , waarna verschillende beslissingen volgden. 29 Ondanks deze vroege signalen duurde het vervolgens niettemin toch tot 2013 vooraleer de Europese Commissie in het bijzonder een “Task force on Tax Planning Practices” oprichtte om actief onderzoek te voeren naar door EU lidstaten verleende tax rulings. Deze initiatieven werden genomen in het licht van toenmalige eerste “leaks” rond belastingschandalen, waarin werd aangekaart hoe multinationals middels afspraken met nationale belastingadministraties op grote schaal actief agressief konden besparen op hun fiscale schulden. Tussen 2014 en 2019 werden vervolgens door de Europese Commissie 10 afzonderlijke ‘dossiers’ geopend rond staatssteun en tax rulings. 30 Eén van deze dossiers betreft de Belgische regeling inzake excess profit rulings.
Bij de invoering van de regeling in 2004 werd uitdrukkelijk benadrukt aan te sluiten bij een internationaal algemeen aanvaarde standaard. De benadering van een onderneming als een afzonderlijke entiteit zou “de redelijkste manier (zijn) om billijke resultaten te bereiken en om het risico van dubbele belasting tot een minimum te beperken.” 31 Toch oordeelde de Europese Commissie, vanuit een steekproef van 22 rulings, dat het Belgische systeem, en derhalve alle 66 verleende rulings gezamenlijk, onrechtmatige staatssteun zou uitmaken.
Dat, door het afzien van belasten op grond van een individuele beslissing, met staatsmiddelen een voordeel werd bekostigd, waardoor de positie van een onderneming wordt versterkt en derhalve het handelsverkeer ongunstig beïnvloed, valt binnen het door de Commissie geschetste kader moeilijk te betwisten. De essentie van de discussie betrof derhalve of al dan niet een selectief voordeel zou zijn verleend, waarvoor de voormelde drie stappen-analyse moet worden doorlopen.
In een eerste stap moet derhalve het referentiestelsel worden vastgesteld. Dit is de Belgische vennootschapsbelasting, met inbegrip van het toenmalige art. 185, §2, b) WIB 1992. Om de werking van dit stelsel vast te stellen mag in beginsel enkel rekening worden gehouden met het toepasselijk nationaal recht. Door de OESO vastgelegde principes, algemene richtlijnen inzake verrekenprijzen of een zogenaamd Europeesrechtelijke zakelijkheidsprincipe mogen in beginsel 32 niet in rekening worden genomen, wanneer hiervan niets in het intern recht is terug te vinden. Dit uitgangspunt sluit aan bij het fiscale legaliteitsbeginsel op grond waarvan de essentiële aspecten van een belastingregime bij wet moeten worden bepaald, zodat een belastingplichtige de verschuldigde belasting kan voorzien. 33 Enkel wanneer het nationaal recht er uitdrukkelijk naar verwijst kan met externe richtsnoeren, zoals bv. door de OESO opgesteld, rekening worden gehouden. 34
De tweede stap is dan hoe hiervan werd afgeweken. De Europese Commissie had besloten dat het systeem als dusdanig, waarmee de Dienst Voorafgaande Beslissingen de belastbare grondslag voor individuele ondernemingen verlaagde, een algemeen regime van staatssteun zou vormen. Derhalve moest, volgens de Commissie, niet elke individuele ruling worden beoordeeld, maar kon worden volstaan met een selectie van 22 rulings. In zijn beslissingen week de rulingdienst immers duidelijk af van de regeling van art. 185 WIB 1992 als dusdanig en werd op discretionaire wijze aan welbepaalde belastingplichtigen een voordeel verleend. Het was precies deze vraag of elke individuele beslissing afzonderlijk als staatssteun moest worden aangevochten, dan wel of het regime van rulings in globo kon worden bestreden, dat vervolgens tot een (tussentijdse) juridische procedureslag aanleiding heeft gegeven. Het Gerecht had immers geoordeeld dat elke voorafgaande beslissing afzonderlijk een vorm van staatssteun zou kunnen uitmaken, wat derhalve door de Commissie voor elke ruling afzonderlijk moest worden aangetoond. Daarom werd de beslissing van de Commissie, waarin alle rulings gezamenlijk werden geviseerd, vernietigd. 35 Er zou immers geen sprake zijn van een algemene steunregeling, wanneer een administratie discretionair een voordeel zou toekennen in afwijking op geldende regelgeving. 36
De formele uitspraak van het Gerecht werd vervolgens evenwel door het Hof vernietigd. 37 Ook een vaste administratieve praktijk van de autoriteiten van een lidstaat waarmee een fiscale bepaling systematisch contra legem zou worden toegepast, kan als een algemene steunregeling worden beschouwd en derhalve door de Commissie worden veroordeeld. Omdat het Hof evenwel niet over alle noodzakelijke feitelijke gegevens beschikte, werd de zaak opnieuw naar het Gerecht verwezen, wat uiteindelijk leidde tot de inhoudelijke analyse ten gronde en vaststelling van een afwijking. 38
Volgens het Gerecht creëert de regeling immers een verschil ten voordele van in een multinationale groep van ondernemingen geïntegreerde entiteiten. Zij worden anders behandeld “ten opzichte van andere entiteiten in België, die niet van die vrijstelling hebben geprofiteerd, ofschoon zij zich in een vergelijkbare feitelijke en juridische situatie bevonden vanuit het oogpunt van de met het gemeenrechtelijke Belgische vennootschapsbelastingstelsel nagestreefde doel, te weten de heffing van belasting over alle belastbare winst van alle in België gevestigde of via een vaste inrichting in België actieve ondernemingen”. 39 Bovendien leidt de toekenning via een ruling ertoe dat het systeem enkel voor nieuwe handelingen toepasbaar is. Een ruling kan immers slechts worden aangevraagd voor situaties die in de praktijk nog geen fiscale uitwerking hebben gehad. Het stelsel stond derhalve slechts open voor “voorstellen van de aanvragers om in België investeringen te doen, bepaalde activiteiten naar dat land te verplaatsen of er een bepaald aantal banen te creëren”. 40 Tenslotte kon worden vastgesteld dat het systeem eigenlijk slechts kon worden benut door ondernemingen die deel uitmaakten van grote en middelgrote groepen, met uitsluiting van ondernemingen die deel uitmaakten van een kleine groep van ondernemingen.
De derde stap betreft tenslotte de vraag of de afwijking kadert binnen de aard en het opzet van het Belgisch fiscaal stelsel. Ofschoon de Belgische Regering weliswaar de invoering van deze regeling motiveerde vanuit de doelstelling enkel de winst te belasten die rechtmatig aan Belgische vennootschappen zou toekomen en aldus dubbele belasting te vermijden, bleek dit niet uit de praktische uitwerking van de excess profit rulings. Noch de opname van deze in België niet belaste winst bij een andere (buitenlandse) vennootschap, noch een effectieve taxatie (en derhalve vermijding van dubbele belasting) moest immers worden aangetoond. Aldus kon de regeling niet geacht worden te kaderen binnen de aard en opzet van het Belgisch fiscaal stelsel, en moest deze derhalve als een selectieve regeling worden beschouwd.
Gegeven de vervulling van het criterium inzake selectiviteit werd de algemene regeling inzake de verleende voorafgaande beslissingen aangemerkt als onrechtmatige staatssteun. De door de betrokken ondernemingen genoten steun moest derhalve vanwege deze ondernemingen worden teruggevorderd.
Naar aanleiding van het besluit van de Commissie op 11 januari 2016 was België gehouden binnen 4 maanden de verleende steun terug te vorderen. Een verzoek in kort geding van de Belgische Staat om, in afwachting van de procedures ten gronde, de uitvoering van het terugvorderingsbesluit voorlopig te schorsen werd door het Europese Gerecht van Eerste Aanleg immers verworpen. 41
Toch duurde het nog tot 25 december 2016 vooraleer een Programmawet werd aangenomen, waarin met inwerkingtreding op 29 december 2016 een terugvorderingsprocedure werd voorzien. 42 De terug te vorderen steun wordt hierin gekwalificeerd als een belasting, berekend voor alle belastbare tijdperken waarin gebruik werd gemaakt van een excess profit ruling. Als, ten gevolge van een te lage belastbare grondslag wegens reductie door de overwinst-rulings, bepaalde andere aftrekbewerkingen in de vennootschapsbelasting niet konden worden uitgevoerd, moesten ook deze alsnog bijkomend worden gevorderd en toegepast. Aldus werd via de klassieke fiscale weg een belastingsupplement gevestigd voor ieder jaar waarin een te lage belastingschuld werd gevestigd.
Meteen werd ook een regeling voorzien voor de teruggave van deze steun, indien de beslissing van de Commissie ten gevolge van een administratieve beslissing, een uitspraak van een Belgisch rechtscollege, of een uitspraak van een Europees rechtscollege zou worden vernietigd: binnen 12 maanden na dergelijke uitspraak zullen dergelijke effectief ingevorderde en betaalde bedragen, middels een ontheffing van ambtswege, verhoogd met moratoire intrest worden terugbetaald.
Steunbegunstigden kunnen tegen een aldus gevestigde aanslag administratief beroep aantekenen bij de belastingadministratie. Hierin kan niet alleen de kwalificatie als staatssteun, maar ook de eigenlijke berekening van de precies genoten voordelen worden betwist. Evenwel vermag de bevoegde ambtenaar, in afwachting van een definitieve uitspraak in kracht van gewijsde over een beroep tegen de beslissing van de Commissie, zijn beslissing schorsen “voor de grief die het bestaan van de staatssteun betwist en, in voorkomend geval, zijn beslissing voorlopig beperken tot de andere grieven”. 43 Het laat zich derhalve raden dat, na een definitieve beslissing op het Europese front nog bijkomende betwistingen op het nationale front zullen worden gevoerd. Zelfs als de regeling in globo in een definitieve uitspraak als staatssteun wordt aangemerkt, blijft nog altijd de vraag of, enerzijds de verleende steun in concrete gevallen correct werd berekend, en anderzijds of alle gevolgen voor de geviseerde vennootschappen correct in rekening werden genomen. Een definitieve juridische afronding zal (minstens in België) derhalve nog steeds even op zich laten wachten.
Toch hebben niet alle begunstigden een Europese uitkomst afgewacht. Eén van de begunstigden, NV C international had immers 2 dergelijke voorafgaande beslissingen (in 2006 en 2012) verkregen, waarbij haar belastbare winst werd verlaagd. Voor de aanslagjaren 2009 t/m 2013 waren op basis van de nieuwe regeling vervolgens subsidiaire aanslagen in de vennootschapsbelasting gevestigd, die op 10 januari 2017 uitvoerbaar waren verklaard. Deze NV vorderde op 10 november 2016 reeds voorlopige maatregelen , waarna in een akkoord met de Belgische staat van 29 juni 2017 de teruggevorderde sommen voorlopig in kantonnement werden geplaatst. In het geschil ten gronde oordeelde de rechtbank van eerste aanleg te Brussel in een vonnis van 25 juni 2019 dat de vordering tot vernietiging van de Belgische aanslagen gegrond was. 44 Ofschoon de Belgische Staat weliswaar beroep had aangetekend tegen de reeds eerder aangehaalde beslissing van het Gerecht van 14 februari 2019 45 had deze uitspraak in tussentijd wel gezag van gewijsde. Vermits met deze uitspraak het Gerecht de beslissing van de Europese Commissie had vernietigd, moest deze beslissing volgens de Brusselse rechtbank geacht worden niet te bestaan. De subsidiaire aanslagen misten derhalve een juridische grondslag, in de mate ze op een Europese beslissing van de Commissie zouden gebaseerd zijn. Ook kon geen andere geldige grondslag worden gegeven. Vermits evenwel door de vennootschap nog geen teruggave van de ingekohierde (en in kantonnement geplaatste) sommen werd gevraagd, werd hierover door de Rechtbank geen uitspraak gedaan. 46 Aldus werd uiteindelijk praktisch alsnog de verdere ontwikkeling aan het Europese front afgewacht, maar niettemin had dit uitdrukkelijker in deze uitspraak kunnen worden verantwoord. 47
Naast het zuiver fiscaal juridisch verhaal rijst tot slot ook de vraag hoe betrokken ondernemingen de gevolgen van deze saga in hun boekhouding moeten weergeven. Deze vraag is allerminst eenvoudig, gelet op diverse onzekere factoren. Zo kan enerzijds gewezen worden op de besproken betwistingen inzake de al dan niet oprechte beslissing van de Europese Commissie om de verleende rulings als staatssteun aan te merken. En zelfs als de verleende rulings finaal als staatssteun worden aangemerkt, moet anderzijds opnieuw worden berekend welke invloed dit op eventuele belastinglatenties met zich brengt. De betrokken ondernemingen genieten immers ten volle het recht alle overige fiscale aftrekken en vrijstellingen toe te passen, waardoor niet noodzakelijk een bijkomende belastingschuld ontstaat. 48 Zoals reeds aangegeven, beoogt deze bijdrage geen grondige boekhoudkundige analyse. Derhalve wordt volstaan met enkele eerste korte reflecties.
Aldus was een eerste belangrijk jaar het boekjaar 2016. Ondanks eerdere voorafgaande indicaties, werden ondernemingen immers op 11 januari 2016 geconfronteerd met de beslissing van de Europese Commissie, waarna op 29 december 2016 de in de Programmawet van 25 december 2016 voorziene terugvorderingswet in werking trad. Niettegenstaande eventuele betwistingen moesten de gevolgen hiervan in de boekhouding worden geïntegreerd. Toch valt op dat in de volgende jaren nieuwe adviezen werden weergegeven hoe normaal met dergelijke problematiek kan worden omgegaan.
Onder de IFRS-regels is een eerste vaststelling dat, zowel de verschuldigde vennootschapsbelasting, als de ingevoerde verplichting tot terugbetaling van de als staatssteun aangemerkte voordelen uit de excess profit rulings.
als inkomstenbelastingen kunnen worden aangemerkt. Dit valt derhalve buiten het toepassingsgebied van de algemene regeling inzake provisies voorzien in IAS 37, op grond van §5(b). Deze algemene standaard is immers niet van toepassing voor provisies geregeld in een bijzondere standaard, zoals bv. IAS 12 die handelt over inkomstenbelastingen. Weliswaar werd op 21 oktober 2015 een eerste draft opgesteld door het IFRS Interpretations Committee 49 rond de boekhoudkundige verwerking van onzekere fiscale verplichtingen, maar toch trad pas een finale interpretatie, International Financial Reporting Interpretations Committee 23 (IFRIC 23) in werking op 1 januari 2019. 50 Mits toegelicht, mag deze benadering evenwel ook voor eerdere boekjaren worden gebruikt. 51 Aldus moet een voorziening worden opgenomen in het geval de kans meer dan 50 % (“more likely than not”) is dat belasting betaald moet worden, zelfs al wordt deze door de onderneming betwist. Zowel de huidige als de toekomstige fiscale gevolgen moeten worden verwerkt op basis van de per balansdatum van kracht zijnde fiscale wetgeving. Jaarlijks moet vervolgens worden beoordeeld of er veranderingen zijn of nieuwe informatie beschikbaar is die van invloed kan zijn op de onzekere belastingpositie. Eens een geldelijk bedrag betaald (maar in kantonnement geplaatst), kan nog altijd mogelijks terug een vordering worden uitgeoefend tot teruggave. Aldus moest zeker de invloed van de vermelde uitspraak van het Gerecht van Eerste Aanleg van 14 februari 2019, waarbij de initiële beslissing van de Commissie vernietigd werd, overwogen worden. Slechts nadat een definitieve rechterlijke uitspraak is tot stand gekomen (met inbegrip van juridische zekerheid omtrent alle fiscale aspecten naar Belgisch intern recht) zal een finaal boekhoudkundig resultaat kunnen worden uitgedrukt.
Onder Belgisch boekhoudrecht kan heden verder worden verwezen naar CBN-advies 2018/14 van 30 mei 2018. Dit advies vervangt immers de eerdere adviezen 128/1, 128/3, 128/4, 128/6 en 141. Ook hier kan worden vastgesteld dat de teruggevorderde steun wellicht als een “belasting op het resultaat” kan worden aangemerkt. Hierover oordeelt de CBN (net als in het vroegere advies 128/1) dat een betwiste fiscale schuld moet worden opgenomen op het passief van de balans zodra zij door inkohiering ontstaat. Een eventuele vordering tot teruggave op de balans boeken moet “met de nodige omzichtigheid” gebeuren.
Deze bijdrage werd geschreven naar aanleiding van een reeks uitspraken door het Europese Gerecht van eerste aanleg over door België tussen 2005 en 2014 verleende excess profit rulings. Ofschoon België zich met alle mogelijke rechtsmiddelen verzette tegen de beslissing van de Europese Commissie om deze voorafgaande beslissingen als onrechtmatige staatssteun aan te merken, werd de Belgische internrechtelijke regeling niettemin toch aangepast. Aldus werden sindsdien geen vergelijkbare rulings meer afgeleverd en is het aantal geviseerde gevallen limitatief afgebakend. Niettemin heeft dit vervolgens gedurende jaren voor rechtsonzekerheid gezorgd. Stilaan lijkt de thematiek evenwel in een eindfase terecht te komen, waarbij de Europese Commissie haar slag thuishaalt en de aldus aan diverse ondernemingen verleende steun als onrechtmatig verkregen staatssteun moet worden teruggegeven. De vraag rijst of België met de overwinst-rulings buitenlandse investeerders heeft kunnen aantrekken, dan wel eerder het vertrouwen van internationale investeerders in de Belgische rechtsstaat heeft ondermijnd.
Deze bijdrage beoogt geen grondige inhoudelijke analyse van de uiterst complexe vraag of deze excess profits al dan niet als staatssteun moeten worden aangemerkt, noch van de hierover door de Europese rechtscolleges gevelde uitspraken. De intentie blijft ertoe beperkt de niet gespecialiseerde lezer een overzicht te geven van de juridische procedures die zich in dit kader hebben afgespeeld (en nog kunnen worden verwacht), alsook een eerste inzicht in de verhouding tussen fiscale gunstmaatregelen en het Europees verbod van staatssteun. De geïnteresseerde lezer wordt uitgenodigd zich vervolgens zelf verder te verdiepen middels de in voetnoten aangehaalde verdere bronnen desbetreffend.
[1] Gerecht van eerste aanleg, België t. Commissie, Zaak T-131/16 RENV; Gevoegde zaken T-201/16, T-335/16, T-357/16 en T-369/16; Gevoegde zaken T-263/16 RENV, T-265/16, T-311/16, T-321/16, T343/16, T-350/16, T-444/16, T-800/16 en T-832/16; Gevoegde zaken T-266/16, T-324/16; T-351/16; T-363/16, T-371/16 en T-388/16; Gevoegde zaken T-278/16 en T-370/16; Zaak T-373/16; Zaak T-420/16; Gevoegde zaken T-467/16 en T-681/16, Gevoegde zaken T-858/16 en T-867/16, Zaak T-637/16. Deze uitspraken kunnen worden geconsulteerd op www.curia.europa.eu
[2] Aldus de voor het Hof aanhangige zaken C-752/23 P; C-736/23 P; C-754/23 P; C-755/23 P; C-737/23 P; C-734/23 P. Tegen de gevoegde zaken T-263/16 RENV e.a. ten slotte, werden 6 verschillende voorzieningen ingediend, met name C-74/22 P(I), C-32/22 P(I); C-4/22 P(I), C-31/22 P(I), C-757/23 P en C-758/23 P. Ook deze voorzieningen kunnen worden geconsulteerd op www.curia.europa.eu.
[3] HvJ 16 september 2021, C-337/19 P, Commissie t. België en Magnetrol International, www.curia.europa.eu
[4] Gerecht van eerste aanleg 14 februari 2019, Koninkrijk België en Magnetrol International t. Europese Commissie, Gevoegde zaken T-131/16 en T-263/16, www.curia.europa.eu.
[5] Besluit (EU) 2016/1699 van de Commissie van 11 januari 2016 betreffende de staatssteunregeling inzake vrijstelling van overwinst SA.37667 (2015/C) (ex 2015/NN) door België ten uitvoer gelegd, Pb L 260 van 27 september 2016, p. 61-103.
[6] Art. 2 Wet tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en de wet van 24 december 2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken, BS 9 juli 2004.
[7] Het kan zowel gaan om het zelf verlenen van goederen of diensten tegen een te lage prijs, als om het betalen van een te hoge prijs voor de afname van goederen of diensten.
[8] De verdragstekst is gebaseerd op art. 9, §1 OESO-Modelverdrag. De internrechtelijke integratie van deze bijkomende inkomsten in de belastbare winst was al decennia voorzien in art. 26 WIB 1992. Aldus worden de abnormale of goedgunstige voordelen die een in België gevestigde onderneming verleent bij haar eigen winst gevoegd, behoudens verder voorziene uitzonderingen. De bijkomende invoering in art. 185, §2, a) WIB 1992 vormt derhalve een doublure van deze mogelijkheid tot verhoging van de belastbare grondslag. Zowel art. 26, als art. 185, §2, a) WIB 1992 gelden evenwel in algemene zin en worden niet beperkt tot transacties met ondernemingen in landen waarmee België een verdrag ter vermijding van dubbele belasting gesloten heeft.
[9] Aldus art. 9, §2 OESO-Modelverdrag. In de oudste Belgische verdragen ontbrak deze bijkomende §2. In haar vroegere commentaar huldigde de Belgische administratie dan het standpunt dat aldus een economische dubbele belasting zou bestaan, waaraan niet noodzakelijk moest worden verholpen. (Cf. Comm. Ov nr. 9/6.) Met de invoering van art. 185, §2, b) WIB 1992 werd een wettelijke basis voorzien om op ‘passende wijze’ de belastbare grondslag van een Belgische onderneming te verlagen, wanneer verkregen voordelen ook bij een andere verbonden vennootschap zouden worden belast, omdat deze een niet marktconform voordeel zou hebben verleend.
[10] Hiervoor kan een belastingplichtige zich o.a. beroepen op in het dubbelbelastingverdrag voorziene onderling overlegprocedures (gebaseerd op art. 25 OESO-Modelverdrag). Specifiek voor deze problematiek werd door de lidstaten van de EU ook eerder een Arbitrageverdrag gesloten. (Verdrag 90/436/EEG ter afschaffing van dubbele belasting in geval van winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen, Pb L 225 van 20 augustus 1990, p. 10-24.) In 2017 werd tenslotte een richtlijn aangenomen, die een bijkomende procedure voorziet voor de beslechting van belastinggeschillen, waaronder ook deze procedures ressorteren. (Cf. Richtlijn 2017/1852/EU van de Raad van 10 oktober 2017 betreffende mechanismen ter beslechting van belastinggeschillen in de Europese Unie, PB L 265 van 14 oktober 2017, 1.) Deze richtlijn werd in België omgezet door de Wet van 2 mei 2019 tot omzetting van de Richtlijn 2017/1852 van de Raad van 10 oktober 2017 betreffende mechanismen ter beslechting van belastinggeschillen in de Europese Unie, BS 17 mei 2019.
[11] Hiermee wordt vanwege de belastingadministratie een standpunt gevraagd over de te volgen fiscale behandeling van een verrichting die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad. De ruling is vervolgens gedurende een termijn van max. 5 jaar verbindend voor de fiscus in de mate de weergegeven verrichting wordt uitgevoerd zoals in de ruling weergegeven. Cf. artt. 20-23 Wet van 24 december 2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken, BS 31 december 2002.
[12] Wet van 17 december 2017 houdende diverse fiscale bepalingen II, BS 22 december 2017.
[13] Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, PB L 248 van 24 september 2015. Deze verordening hercodificeert de vroegere Verordening 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag, PB L 83 van 27 maart 1999.
[14] In het kader van huidige bijdrage wordt hierop niet verder ingegaan.
[15] Naast enkele uitbreidingen i.v.m. goedgekeurde steunmaatregelen, gaat het in hoofdzaak om steunmaatregelen die vóór de inwerkingtreding van het VWEU in de respectieve lidstaat tot uitvoering zijn gebracht en die na de inwerkingtreding nog steeds van toepassing zijn. (art. 1 Vo 2015/1589).
[16] J. Leroy, Terugvordering van onrechtmatige staatssteun in België, Wolters Kluwer, Mechelen 2021, 36-37.
[17] Art. 16 Vo 2015/1589. Voor een historisch overzicht, zie A. Cordewener, “Recovery of unlawful State aid”, AFT 2020, nr. 1, 34 e.v.
[18] J. Leroy, Terugvordering van onrechtmatige staatssteun in België, Wolters Kluwer, Mechelen 2021, 188 e.v.
[19] Aldus bv. het antwoord van een EU Commissaris op een schriftelijke vraag van een EU Parlementslid, dat een bepaalde regeling geen onrechtmatige staatssteun vormde (HvJ 15 november 2018, T-207/10, Deutsche Telekom v. Commission, r.o. 64) of de bevestiging door de Commissie op vraag van de begunstigde van bepaalde steun (HvJ 19 September 2018, T-68/15, HH Ferries v. Commission, r.o. 306). Zie uitgebreid J. Leroy, Terugvordering van onrechtmatige staatssteun in België, Wolters Kluwer, Mechelen 2021, 45-49. Deze auteur is kritisch over de strikte invulling die door het Hof van Justitie aan dit vertrouwensbeginsel wordt gegeven.
[20] Art. 256 jc 263 VWEU.
[21] Reeds in 1974 bevestigde het Hof van Justitie expliciet dat ook fiscale maatregelen onder het verbod van staatssteun kunnen ressorteren. Aldus reageerde het Hof tegen een middel van de Italiaanse regering op een beslissing van de Europese Commissie dat de Commissie aldus haar bevoegdheid zou misbruiken door op te treden op het gebied van de nationale belastingen, een bevoegdheid voorbehouden aan de soevereiniteit van de Lidstaten. Volgens het Hof is “noch het eventuele fiscale karakter, noch het eventuele sociale doel van de betwiste maatregel voldoende … om deze buiten het bereik van” de staatssteunregeling te brengen. Cf. HvJ 2 juli 1974, C-173/73, Italië t. Commissie, r.o. 13. Eerder had het Hof al uitdrukkelijk aangegeven dat een Franse fiscale maatregel in strijd was met de staatssteunregeling en overwogen dat “de uitoefening van aan de Staten verbleven bevoegdheden er derhalve niet toe mag leiden dat eenzijdig in het Verdrag verboden maatregelen mogen worden genomen”. Cf. HvJ 10 december 1969, C-6/69, Frankrijk t. Commissie, r.o. 17.
[22] Resolutie van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der Lidstaten, in het kader van de Raad bijeenkomst van 1 december 1997 betreffende een gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen, PB C 2 van 6 januari 1998, 2-5. De Gedragscode werd met ingang van 1 januari 2023 vervangen door een nieuwe herziene Gedragscode. Cf. Resolutie van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende een herziene gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen 2022/C 433/01, PB C 433 van 15 november 2022, 1-5.
[23] In de nieuwe Gedragscode van 2022 wordt enerzijds aangegeven dat de controle onder deze Gedragscode wordt opgeschort ingeval de Commissie een staatssteun procedure start. Anderzijds wordt de Commissie voortaan gevraagd om jaarlijks verslag uit te brengen over de toepassing van de gedragscode en over fiscale staatssteun.
[24] Mededeling van de Commissie over de toepassing van de regels betreffende steunmaatregelen van de staten op maatregelen op het gebied van de directe belastingen op ondernemingen, PB C 384 van 10 december 1998, 3-9.
[25] Verslag van de Commissie over de toepassing van de regels betreffende steunmaatregelen van de staten op maatregelen op het gebied van de directe belastingen op ondernemingen (9 februari 2004, C(2004) 434).
[26] Inzake fiscale maatregelen valt dan ook op dat dit criterium eigenlijk automatisch vervuld is, aldus P. Nicolaides. Cf. P. Nicolaides e.a., “State aid and (in)direct taxation Report of the 12th Prof. Em. Fr. Vanistendael Lectures in International and European Tax Law”, AFT 2020, nr. 1, p. 6.
[27] Cf. HvJ 8 november 2022, gevoegde zaken C-885/19 P en C-898/19 P, Fiat Chrysler Finance Europe / Commissie, www.curia.europa.eu.
[28] Beschikking betreffende de door Finland ten uitvoer gelegde steunregeling ten gunste van
Captive-verzekeringsmaatschappijen op de Ålandseilanden, PB L 5 december 2002, nr. 329, p. 22-29.
[29] Deze lijst is te vinden op https://competition-policy.ec.europa.eu/state-aid/tax-rulings_en.
[30] Voor een overzicht van de dossiers alsook verdere beroepen tegen beslissingen, zie J. Leroy, “Staatssteun en tax rulings: eindelijk licht aan het einde van de tunnel?”, TFR 2023, nr. 652, 1054-1055.
[31] Parl. St. Kamer, DOC 51, nr. 1079/001, p. 8.
[32] In een recente uitspraak van 10 september 2024 inzake Apple herhaalt het Hof weliswaar dit uitgangspunt, maar doet vervolgens alsnog beroep op door de OESO uiteengezette principes, zonder dat deze daadwerkelijk in het Iers recht werden geïntegreerd. Cf. HvJ 10 september 2024, C-465/20 P, Commissie t. Ierland, Apple e.a., www.curia.europa.eu, zie in het bijzonder r.o. 82.
[33] Toch besloot het Hof in een andere uitspraak dat wanneer in de nationale rechtspraak of administratieve praktijk een andere uitlegging overheerst, ook de Europese Commissie zich hierop, als referentiestelsel, mag baseren. Cf. HvJ 5 december 2023, C-451/21 P en C-454/21 P, Luxemburg, Engie e.a. t. Commissie, www.curia.europa.eu. Zie verder M. Massant, “HvJ geeft Engie gelijk: Luxemburg verleende geen staatssteun”, Fiscoloog I. 31 december 2023, nr. 481, 5.
[34] Cf. HvJ 14 december 2023, C-457/21 P, Commissie t. Luxemburg, Amazon e.a., www.curia.europa.eu
[35] Gerecht van eerste aanleg 14 februari 2019, Koninkrijk België en Magnetrol International t. Europese Commissie, Gevoegde zaken T-131/16 en T-263/16, www.curia.europa.eu. Zie o.a. J. Luts, “Staatssteun en excess profit rulings : gevolgen van arrest van het Gerecht ?”, Fiscoloog I. 28 februari 2019, nr. 423, p. 1.
[36] Deze eerder formele vernietiging door het Gerecht heeft ertoe geleid dat de Europese Commissie individuele voorafgaande beslissingen inzake deze excess profits als staatssteun is beginnen aanvechten, waarna tegen deze individuele procedures beroepen werden aangetekend en het aantal procedures voor de Europese rechtbanken toenam.
[37] HvJ 16 september 2021, C-337/19 P, Commissie t. België en Magnetrol International, www.curia.europa.eu
[38] Gerecht van eerste aanleg 20 september 2023, Koninkrijk België t. Europese Commissie, T-131/16, www.curia.europa.eu
[39] R.o. 124.
[40] R.o. 130.
[41] Beschikking van de president van het Gerecht van 19 juli 2016, T-131/16 R, België t. Commissie, www.curia.europa.eu.
[42] Art. 100 – 119 Programmawet 25 december 2016, BS 29 december 2016. De tekst werd vervolgens gewijzigd bij Wet houdende diverse fiscale bepalingen II van 17 december 2017, BS 22 december 2017.
[43] Art. 106, lid 3 Programmawet 25 december 2016.
[44] Rb. Brussel 25 juni 2019, rolnrs. 2016/7826/A, 2017/7801/A en 2018/1301/A, besproken in W. De Cock en J. Luts, “EPR-vonnis : nieuwe stap in de processie van Echternach?”, Fiscoloog I. 31 mei 2020, nr. 438, 4 e.v., en J. Leroy, “Staatssteun en tax rulings: wie ziet nog het bos door de bomen?”, TFR 2020, nr. 592, 1075 e.v.
[45] Gerecht van eerste aanleg 14 februari 2019, Koninkrijk België en Magnetrol International t. Commissie, Gevoegde zaken T-131/16 en T-263/16, www.curia.europa.eu. In deze uitspraak werd de beslissing van de Commissie dat de excess profit rulings als onrechtmatige staatssteun kwalificeerden vernietigd.
[46] In de marge kan wel worden opgemerkt dat een bijkomende schadevergoeding van 20.000 EUR werd toegekend, omdat de Belgische Staat nodeloze procedureargumenten in deze uitspraak had aangevoerd, waarop door de eisende partij moest worden gereageerd.
[47] Aldus de kritiek in W. De Cock en J. Luts, “EPR-vonnis: nieuwe stap in de processie van Echternach ?”, Fiscoloog I. 31 mei 2020, nr. 438, 4.
[48] Hier wordt in de eerste plaats verwezen naar de belastinglatenties die van toepassing zijn voor het jaar waarin de bijkomende belasting (teruggave van de verleende staatssteun) wordt ingekohierd. Tegelijk zal dit evenwel ook de volgende jaren beïnvloeden, waarvoor eerder opgenomen aftrekken verdwijnen.
[49] IFRS, Uncertainty over Income Tax Treatments, www.ifrs.org.
[50] Voor een ruimere toelichting, zie K. De Grave, “Chapter 7: Tax Exposures in Tax Accounting: Unravelling the Mystery of Income Taxes” in A. Aron e.a., Country tax guides IBFD.
[51] De onder IFRS voorgestelde benadering leunt aan bij wat eerder al onder US GAAP als toelichting werd gegeven onder de huidige FASB Accounting standards codification 740.10. Aldus werd hier in 2006 reeds het Financial Interpretation Number (FIN) 48 uitgebracht inzake “Accounting for Uncertainties in Income Taxes”, wat later werd gehercodificeerd.