De vennootschap heeft op advies van de bank het contract geboekt als een huur.
Het ICCI wil eerst laten opmerken dat de boekhoudkundige verwerking niet gesteund wordt op de benaming die de partijen aan de overeenkomst geven, maar hangt af van de voorschriften van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen (Jaarrekeningenbesluit).
Artikel 95, § 1 van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 stelt dat:
“De inhoud van bepaalde rubrieken van het actief wordt als volgt gedefinieerd:
(…)
III. D. Leasing en soortgelijke rechten
Onder die post worden opgenomen:
(…)
2° de gebruiksrechten op roerende goederen waarover de vennootschap beschikt op grond van leasing of soortgelijke overeenkomsten, wanneer de contractueel te storten termijnen, verhoogd met het bedrag dat moet worden betaald bij optielichting indien de nemer een koopoptie bezit, naast de rente en de kosten van de verrichting ook de integrale wedersamenstelling dekken van het kapitaal dat de gever in het goed heeft geïnvesteerd. Het bedrag dat moet worden betaald om een koopoptie te lichten, komt evenwel enkel in aanmerking als het ten hoogste vijftien procent vertegenwoordigt van het kapitaal dat de gever in het goed heeft geïnvesteerd.
(…)”.
Uit de tekst van artikel 95 “indien de nemer een koopoptie bezit” blijkt duidelijk dat de koopoptie geen essentieel element is van een leasingovereenkomst.
In beginsel moet er geen rekening worden gehouden met een optie toegekend aan een derde om vast te stellen of het geïnvesteerd kapitaal al dan niet wordt weder samengesteld, maar rekening houdend met het zeer gering bedrag van de koopoptie eventueel te lichten door een derde vennootschap, is de kans groot dat de contractueel te storten termijnen de vereiste wedersamenstelling toelaten. In dat geval moet de verrichting als financiële leasing worden opgenomen in de boekhouding (art. 62 KB 30 januari 2001). Indien de contractueel te storten termijnen desondanks het geïnvesteerd kapitaal, verhoogd met de rente, niet zouden weder samenstellen, dan wordt de verrichting als operationele leasing verwerkt.
Ook kan terecht de vraag worden gesteld of geen voorrang moet worden gegeven aan substance over form.
In K. Van Hulle, N. Lybaert & J.-P. Maes, Handboek boekhoud- en jaarrekeningrecht, Brugge, die Keure, 2010, p. 389 is het volgende te lezen:
“Gebruiksrechten op lange termijn op goederen die aan derden toebehoren en die niet aan de voorwaarden voldoen om als financiële leasing te worden gekwalificeerd worden als volgt verwerkt.
In de boekhouding van de huurder (i.e. Jacques Ijs) worden dergelijke gebruiksrechten niet als activa opgevoerd. Wel moet in klasse 0 van het rekeningenstelsel (rekening 070) de waarde van het gebruiksrecht worden geboekt. Deze waarde zal jaarlijks worden aangepast in functie van de nog lopende verplichtingen. In voorkomend geval zal met toepassing van artikel 25, § 3, eerste lid Jaarrekeningenbesluit een passende vermelding moeten worden opgenomen in de toelichting wanneer het gaat om een recht dat het vermogen, de financiële positie of het resultaat van de onderneming aanmerkelijk kan beïnvloeden. De periodieke betalingen van huurgelden zullen als kosten in de resultatenrekening worden geboekt onder de post “II. B. Diensten en diverse goederen”.”.
Zoals hierboven uiteengezet, zal een passende vermelding van deze operationele leasingovereenkomst met toepassing van artikel 25, § 3, eerste lid Jaarrekeningenbesluit moeten worden opgenomen in de toelichting van de huurder wanneer het gaat om een recht dat het vermogen, de financiële positie of het resultaat van de onderneming aanmerkelijk kan beïnvloeden.
Artikel 25, § 3, eerste lid van het Jaarrekeningenbesluit stipuleert dan ook dat:
“In de toelichting worden per soort vermeld de rechten en verplichtingen die niet in de balans voorkomen en die het vermogen, de financiële positie of het resultaat van de vennootschap aanmerkelijk kunnen beïnvloeden.”.