Binnen de banksector is het niet ongebruikelijk dat cliëntenaanbrengers (officieus statuut, aanvaard door FSMA) een eenmalige vergoeding krijgen.
Om een volledig antwoord te geven op de vraag moet het ICCI de aandacht vestigen op de verschillende statuten die een bedrijfsrevisor kan aannemen, namelijk:
1. de bedrijfsrevisor die revisorale opdrachten uitvoert (“actieve” bedrijfsrevisor);
2. de “tijdelijk verhinderde” bedrijfsrevisor;
3. de erebedrijfsrevisor; en
4. de voormalige bedrijfsrevisor (bedrijfsrevisor die ontslag heeft genomen).
Een “actieve” bedrijfsrevisor kan in geen enkel geval een commerciële activiteit voeren. Dit absoluut verbod is vervat in artikel 13, § 2 b) van de wet van 22 juli 1953 houdende oprichting van een Instituut van de Bedrijfsrevisoren (IBR) en organisatie van het publiek toezicht op het beroep van bedrijfsrevisor.
Een bedrijfsrevisor kan zich “tijdelijk verhinderd” verklaren. In zulk geval blijft hij de titel van bedrijfsrevisor dragen doch kan hij geen revisorale opdrachten uitvoeren. Een bedrijfsrevisor die kiest voor dit statuut kan bijvoorbeeld de functie van bediende uitoefenen en/of commerciële activiteiten voeren, voor zover deze niet onverenigbaar zijn met de bepaling van artikel 13, § 1 van de wet van 22 juli 1953 dat stipuleert: “Het is de bedrijfsrevisor niet toegelaten werkzaamheden uit te oefenen of daden te stellen die onverenigbaar zijn met de waardigheid of de onafhankelijkheid van zijn functie.”.
De titel van erebedrijfsrevisor kan worden toegekend “aan bedrijfsrevisoren die ontslag namen na gedurende tenminste vijftien jaar het beroep met waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid te hebben uitgeoefend en die niet actief zijn in een ander beroep dat verwarring zou kunnen scheppen met de activiteiten van een bedrijfsrevisor” . Voor zover een erebedrijfsrevisor deze regel eerbiedigt kan hij een commerciële activiteit voeren.
Een voormalige bedrijfsrevisor (die ontslag heeft genomen en de eretitel niet heeft ontvangen) is uiteraard niet meer gebonden door enige regel van het IBR.
Rekening houdend met het voorgaande en de specifieke omstandigheden zijn wij van oordeel dat de betrokken (al dan niet verhinderde) bedrijfsrevisor of erebedrijfsrevisor zelf dient te oordelen of de vermelde activiteiten in de banksector in tegenspraak zijn met zijn hoedanigheid als (al dan niet verhinderde) bedrijfsrevisor of erebedrijfsrevisor.
Toch lijkt het voor het ICCI op het eerste zicht dat de voorgestelde activiteit verboden is voor een “actieve” bedrijfsrevisor, maar niet voor een verhinderde of een erebedrijfsrevisor.