21 décembre 2021

Is het een Belgische bedrijfsrevisor (commissaris) toegelaten toegang tot een individuele (specifiek voor groepsrapporteringsdoeleinden opgestelde) engagement file te geven aan de buitenlandse regulator van de groepsauditor en dit via de groepsauditor wanneer de groepsauditor dergelijke vraag krijgt van zijn regulator?



1. De volgende situatie wordt beschreven:

“Is het een Belgische bedrijfsrevisor (commissaris) toegelaten toegang tot een individuele (specifiek voor groepsrapporteringsdoeleinden opgestelde) engagement file te geven aan de buitenlandse regulator van de groepsauditor en dit via de groepsauditor wanneer de groepsauditor dergelijke vraag krijgt van zijn regulator? 

Bij toegang bedoelen we ofwel via rechtstreekse connectie naar de retention file ofwel via het transfereren van (een kopie van) de retention file naar de buitenlandse groepsauditor. 

Bij uitbreiding: kan een Belgische bedrijfsrevisor in het kader van een groepsaudit, zijn audit file aan de groepsauditor bezorgen? 

Standpunt: artikel 86 van de wet van 7 december 2016 (“de Wet”) voorziet in strikte uitzonderingen op het beroepsgeheim. In het kader van groepswerkzaamheden stipuleert het artikel dat de commissarissen onderling bevrijd zijn het beroepsgeheim. Op basis van onze lezing van de Wet en rekening houdend met artikel 458 van het Strafwetboek, menen wij, gelet op het karakter van openbare orde, dat in alle andere gevallen (tenzij die voorzien bij art. 86, §1 de Wet), het de Belgische bedrijfsrevisor niet is toegestaan toegang te verschaffen tot engagement documentatie zonder tussenkomst van het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren. 

Of anders gesteld menen wij dat wij de groepsauditor toegang kunnen verschaffen tot ons dossier m.b.t. de groepswerkzaamheden zoals voorzien door art. 86, §2 van de Wet, maar er niet mogen mee instemmen dat de groepsauditor de informatie op zijn beurt zou delen met zijn regulator. 

Indien de buitenlandse regulator toegang wenst tot “Belgische” files, dan dient o.i. de procedure van titel 3, hoofdstuk IV, afdeling 3 van de Wet te worden toegepast. 
Is deze interpretatie correct of zijn de bepalingen van titel 3, hoofdstuk IV, afdeling 3 van de Wet alleen van toepassing in geval van een rechtstreekse vraag tot inspectie van het revisorenkantoor door een buitenlandse regulator? 
Indien dit laatste het geval zou zijn, betekent dat dan mutatis mutandis dat een Belgische bedrijfsrevisor ook van zijn beroepsgeheim bevrijd is t.o.v. de buitenlandse regulator van de groepsauditor, bij het vrijgeven van informatie via diezelfde groepsauditor? 
En bijgevolg dat een Belgische bedrijfsrevisor zich er uitdrukkelijk akkoord mee zou mogen verklaren dat de buitenlandse regulator van de groepsauditor, via de groepsauditor, toegang zou krijgen tot de auditdocumentatie van de Belgische component auditor in het kader van de controle van de geconsolideerde jaarrekening?”

2. Om deze vragen te beantwoorden, wenst het ICCI te verwijzen naar de bewoording van artikel 86, §1, 2° en 6° van de wet van 7 december 2016 dat het volgende bepaalt:

Ҥ 1. Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing op de bedrijfsrevisoren, de geregistreerde auditkantoren, de stagiairs en de personen voor wie zij instaan.
  Buiten de uitzonderingen op de geheimhoudingsplicht waarin dit artikel voorziet, geldt deze plicht evenmin voor: (…)
  2° de mededeling van een attest of van een bevestiging gericht tot een commissaris of een persoon die in een onderneming naar buitenlands recht een gelijkaardige taak als die van commissaris uitoefent, binnen het kader van de hun toevertrouwde controle over de jaarrekening of de geconsolideerde jaarrekening van een onderneming; (…)
  6° de overdracht van informatie, waaronder vertrouwelijke, gevraagd door een bevoegde autoriteit in het kader van zijn opdrachten en van de nationale en internationale samenwerking overeenkomstig de in hoofdstuk IV, afdeling III, bepaalde voorwaarden en de ter uitvoering ervan genomen maatregelen; (…)”.

Aangezien de voornoemde bepalingen (art. 46-51 van de wet van 7 december 2016) in de tussenkomst van het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren voorzien, is het ICCI ook van mening dat, indien de buitenlandse regulator toegang tot uw dossier wenst, de procedure van titel 3, hoofdstuk IV, afdeling 3 van de wet van 7 december 2016 dient te worden toegepast.

3. De uitzondering van artikel 86, § 2 van de wet van 7 december 2016 lijkt in dit geval niet van toepassing. Zoals opgemerkt in de vraagstelling, voorziet deze bepaling in de bevrijding van het beroepsgeheim tussen de commissaris van de consoliderende rechtspersoon en de commissarissen van de geconsolideerde rechtspersonen onderling “binnen het kader van de hun toevertrouwde controle over de geconsolideerde jaarrekening van een onderneming”.

In casu vraagt de groepsauditor deze informatie niet in het kader van de controle van de geconsolideerde jaarrekening, maar wel om deze door te geven aan zijn regulator.

Zoals aangegeven, dienen de uitzonderingen op het beroepsgeheim strikt te worden geïnterpreteerd.

4. Gelet op het voorgaande gaat het ICCI derhalve akkoord met het standpunt volgens dewelke , conform artikel 86, § 2 van de wet van 7 december 2016, de groepsauditor toegang kan verschaffen tot het dossier met betrekking tot de groepswerkzaamheden, maar niet mag instemmen dat de groepsauditor de informatie op zijn beurt zou delen met zijn regulator.