a) De wet van 18 januari 2010, zoals in werking getreden op 5 februari 2011, heeft een
aantal bepalingen van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het
financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme aanzienlijk
veranderd voor de bedrijfsrevisoren, accountants en externe belastingconsulenten.
De nieuwigheden aangebracht aan het preventief luik van de anti-witwaswet hebben onder andere
betrekking op de klantenonderzoeksprocedures in het kader van een risicogerichte aanpak. Het
betreft de twee nieuwe verplichtingen om een schriftelijk verslag op te stellen van het onderzoek
van de atypische verrichtingen en om een verantwoordelijke aan te stellen voor de controle van
de naleving van de verplichtingen van de wet binnen “grote structuren”. Er kan ten slotte worden
aangestipt dat de kennisgevingsplicht ten aanzien van de CFI contrastrijke ontwikkelingen heeft
gekend: versterking (bijkomende informatie, anonimiteit), afwijkingen (juridisch advies) en
versoepeling (aangifte (tipping off), personen gemachtigd voor de kennisgeving).
b) Op grond van artikel 38 van de wet, zoals gewijzigd door de wet van 18 januari 2010,
moeten het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten – voor de accountants
en externe belastingconsulenten – en het Instituut van de Bedrijfsrevisoren – voor de
bedrijfsrevisoren – bij reglement de toepassingsmodaliteiten van de verplichtingen
bepaald bij hoofdstuk II van de wet van 11 januari 1993 bepalen. In onderhavig geval:
-klantenonderzoek (identificatie en de hiermee verband houdende identiteitsverificatie) ten
aanzien van cliënten, hun lasthebbers en uiteindelijke begunstigden en bewaring van de in het
kader van deze identificatie en verificatie verzamelde gegevens en documenten;
-klantenonderzoek (bestendige waakzaamheid) ten aanzien van verrichtingen en zakelijke
relaties en bewaring van de gegevens en documenten in dit verband;
- verplichtingen inzake interne organisatie (art. 16 tot 19 van de anti-witwaswet).
Gelet op het feit dat de uit de wet voortvloeiende vereisten identiek zijn voor de economische
beroepen, hebben de drie Instituten eensgezind gekozen voor een gelijksoortige toepassing via een
gemeenschappelijk reglement. Elk Instituut heeft zijn eigen norm of bindende richtlijn vastgesteld
die vervolgens werd onderworpen aan de voor elk Instituut voorziene procedure.
Wat het Instituut van de Bedrijfsrevisoren betreft, werd de norm betreffende de toepassing van
de wet van 11 januari 1993, naar aanleiding van de openbare raadpleging, door de Raad van het
IBR aangepast en door de Hoge Raad voor de Economische Beroepen goedgekeurd op 16 februari
2011. Deze norm zal in werking treden na goedkeuring hiervan door de Minister bevoegd voor
Economische Zaken, procedure die thans aan de gang is.
c) Naast deze norm legt de wet de Instituten op om doeltreffende mechanismen in te stellen ter
controle van de naleving door hun leden van de verplichtingen bedoeld in hoofdstuk II van de wet,
van de kennisgevingsplicht, alsook van de verplichtingen bedoeld in de koninklijke besluiten,
reglementen en andere maatregelen genomen ter uitvoering van dezelfde bepalingen van de
wet (art. 39 van de wet). De Raad van het IBR heeft beslist dat de periodieke kwaliteitscontroles
kunnen volstaan om de doelstellingen van deze reglementering te verwezenlijken, desnoods door
aanpassing van de leidraden voor de kwaliteitscontrole.