Uitzondering verslag quasi-inbreng - art.222, §3 W.Venn. 

Publicatiedatum:  22/05/2018 
Kan het ICCI een advies geven in verband met onderstaande problematiek ?
 

Er dient geen verslag van quasi-inbreng te worden opgesteld overeenkomstig artikel 222, § 2, 2° van het Wetboek van vennootschappen, zodat een verklaring dient te worden neergelegd conform artikel 222, § 3 van het Wetboek van vennootschappen. Hierbij stellen zich de volgende vragen:

- Door wie mag deze verklaring worden opgesteld?; en

- Door wie mag het “attest” waarvan sprake in 4° en 5° van deze paragraaf 3 worden opgesteld ?

 

 

1.  Op basis van de rechtsleer terzake (1), kan het ICCI stellen dat de verklaring conform artikel 222, § 3 van het Wetboek van vennootschappen dient te worden opgesteld door de zaakvoerders (i.e. het bestuursorgaan) van de BVBA in kwestie. Het bestuursorgaan beschikt immers over alle bevoegdheden die niet voorbehouden zijn aan de algemene vergadering.

 

 

2. Betreffende de tweede vraag is de wetgever stil gebleven over wie juist het “attest” waarvan sprake in artikel 222, § 3, 4° en 5° van het Wetboek van vennootschappen mag opstellen. Toch zijn de auteurs S. BOGAERTS en R. VANDER EECKT (“Nieuw Kapitaalrecht. Van kapitaal belang?”, TRV 2009, p. 252, nr. 38) dieper ingegaan op dit vraagstuk voor de inbreng in natura, dat analoog kan worden toegepast voor de quasi-inbreng (2):

Indien wordt overgegaan tot een kapitaalverhoging middels inbreng in natura zonder revisoraal verslag, moet het bestuursorgaan overgaan tot een kennisgeving hiervan in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad. Deze kennisgeving moet onder andere volgende elementen bevatten : een “attest” dat bepaalt of de verkregen waarde ten minste met het aantal en de nominale waarde of, bij gebreke van een nominale waarde, de fractiewaarde van de tegen de inbreng uit te geven aandelen overeenkomt en een “attest” dat er zich geen nieuwe bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan ten opzichte van de oorspronkelijke waardering die deze kunnen beïnvloeden. Het woord “attest” is hierbij zeer ongelukkig gekozen en doet uitschijnen dat er nog een afzonderlijk attest moet worden opgemaakt (door het bestuursorgaan of zelfs een andere derde partij). Dit is o.i. niet de bedoeling geweest van de wetgever en waarschijnlijk gaat het om een ongelukkige vertaling van het Franse “attestation”. Met andere woorden, het bestuursorgaan moet in deze kennisgeving enkel “verklaren” dat de verkregen waarde ten minste met het aantal en de waarde van de tegen de inbreng uit te geven aandelen overeenkomt en dat er zich geen nieuwe bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan.”

 

Het ICCI is derhalve van oordeel dat de zaakvoerders (i.e. het bestuursorgaan) van de BVBA in casu de “attesten” mogen opstellen waarvan sprake in artikel 222, § 3, 4° en 5° van het Wetboek van vennootschappen (3).



(3) Cf. voor een kritische commentaar inzake de hantering van het woord “attest” door de wetgever dienaangaande: C. BALESTRA en Y. STEMPNIERWSKY, “Nieuwe uitzonderingen op de tussenkomst van een bedrijfsrevisor bij inbreng in natura vanaf 1 januari 2009”, Tax, Audit & Accountancy 2009, afl. 1, p. 6-7.  


(1) Cf. W. VAN GAVER, “Art. 222 W. Venn.”, Vennootschappen en verenigingen. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Antwerpen, Kluwer, 2000, p. 11: “Wanneer toepassing wordt gemaakt van een van deze drie uitzonderingsgevallen mogen beide verslagen achterwege worden gelaten en moet niet langer de voorafgaandelijke goedkeuring worden verkregen van de algemene vergadering. De zaakvoerders kunnen zich er in dat geval toe beperken om binnen de maand na de verrichting een verklaring neer te leggen met de inhoud zoals voorgeschreven door artikel 222, § 3 Wetboek van Vennootschappen. Deze verklaring bevat onder meer een beschrijving van de quasi-inbreng, de naam van de eigenaar van het goed, alsook de waarde en de waarderingsmethode van het goed.”; S. BOGAERTS en R. VANDER EECKT, “Nieuw Kapitaalrecht. Van kapitaal belang?”, TRV 2009, p. 242, nr. 15: “(...) dienen in de verklaring die het bestuursorgaan moet neerleggen op de griffie van de bevoegde rechtbank van koophandel (...)”.  

(2) Voor de argumentatie van analoge toepassing voor quasi-inbreng, cf.: S. BOGAERTS en R. VANDER EECKT, “Nieuw Kapitaalrecht. Van kapitaal belang?”, TRV 2009, p. 242, nr. 15: “De nieuwe regels die worden ingevoerd voor een quasi-inbreng zijn bijna identiek aan de nieuwe regels die gelden voor de inbreng in natura in geval van een kapitaalverhoging. (...)”.  

 

 

Hoewel het Informatiecentrum voor het Bedrijfsrevisoraat (ICCI) met de grootste zorgvuldigheid de ontvangen vragen behandelt en hiervoor beroep doet op personen met de vereiste bekwaamheden, wordt ten aanzien van de antwoorden geen enkele garantie geboden en draagt het geen enkele contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid voor de eventuele schade die zou kunnen voortvloeien uit feitelijke of juridische vergissingen die werden begaan in het kader van de verstrekte antwoorden en informatie. Het antwoord wordt alleen in de taal van de vraagsteller overgenomen. De lezer en in het algemeen de gebruiker van dit antwoord blijft als enige verantwoordelijk voor het gebruik daarvan
ICCI Private Stichting naar Belgisch recht Emile Jacqmainlaan 135, 1000 Brussel Abonneer op e-zine Privacy verklaring