Met betrekking tot deze vraag verwijst het ICCI naar artikel 9 van het koninklijk besluit van 10 januari 1994 betreffende de plichten van de bedrijfsrevisoren dat stelt:
“De bedrijfsrevisor mag geen enkele revisorale opdracht aanvaarden in een onderneming waar hijzelf, zijn echtgenoot, een bloed- of aanverwant tot in de tweede graad één van de volgende posities bekleedt: voornaamste aandeelhouder van de vennootschap of eigenaar van de onderneming, bestuurder, zaakvoerder, afgevaardigde voor het dagelijks bestuur of lid van het directiecomité van de vennootschap.
Hetzelfde verbod is toepasselijk wanneer zijn of haar echtgeno(o)t(e), bloed- of aanverwant tot in de tweede graad, als werknemer of onafhankelijke beroepsbeoefenaar, op een betekenisvolle wijze bijdraagt tot het houden van de boeken of tot het opstellen van de jaarrekening of andere boekhoudkundige staten die het voorwerp zijn van een verklaring.”.
Op grond hiervan is het ICCI van oordeel dat het gebrek aan onafhankelijkheid om familieredenen van een lid van een netwerk de onafhankelijkheid van de bedrijfsrevisoren die lid zijn van hetzelfde netwerk in het gedrang brengt.
Tenslotte verwijst het ICCI naar artikel 14, § 2, d) van de gecoördineerde wet van 1953 dat bepaalt: “Elke situatie waarin de onafhankelijkheid van een bedrijfsrevisor in het gedrang wordt gebracht, door een belangenconflict, of op een andere wijze, brengt eveneens de onafhankelijkheid in het gedrang:
d) van de bedrijfsrevisoren die lid zijn van het netwerk waarvan de bedrijfsrevisor lid is.”.
De bovenvermelde wet en koninklijk besluit zijn eveneens beschikbaar op de website van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren (IBR) www.ibr.be, onder de rubriek “Het beroep – Wet van 1953 en uitvoeringsbesluiten”.