31 janvier 2014

Artikel 1149 van het Burgerlijk Wetboek (B.W.) bepaalt dat het recht op schadevergoeding dat aan een schuldeiser – in geval van wanprestatie van zijn medecontractant – verschuldigd is, bestaat in het verlies dat hij heeft geleden en in de winst die hij heeft moeten derven. Deze regel, die tot het algemeen verbintenissenrecht behoort, is ook toepasselijk op het statuut van de commissaris.

 

De goede uitvoering van de overeenkomst tussen partijen had erin bestaan dat eiser zijn opdracht gedurende drie jaren zou hebben uitgevoerd. De schade die eiser lijdt, en die moet worden vergoed, bestaat uit de kosten die hij met het oog op de uitoefening van zijn functie voor die periode heeft gemaakt, in de mate waarin deze uitgaven voor hem zonder nut zijn geworden, evenals uit de winst die hij gedurende de overblijvende twee jaar zou hebben behaald.

 

Een vergoeding die berekend wordt over de ganse periode waarin hij ten onrechte zijn prestaties niet kon vervullen is de enige berekening die de schade en de winstderving op een correcte wijze weergeeft.

 

Dat de schade op die wijze moet worden berekend vloeit overigens voort uit artikel 1794 B.W. Deze bepaling is immers een algemene regel die van toepassing is op iedere overeenkomst die betrekking heeft op het leveren van materieel en/of intellectueel werk, van zodra zij van vaste duur is (Cass. 4 september 1980, R.C.J.B. 1981, 523), en houdt enkel een bevestiging in van het algemeen verbintenissenrecht (zie het verhelderend commentaar van DE PAGE H., Traité, IV, nrs. 859 en 914). De rechtbank acht de regels van art. 1149 B.W. en 1794 B.W. toepasselijk, precies omdat het recht tot ontslag ad nuturn door de wet van 21 februari 1985 ongedaan werd gemaakt.