30 octobre 1989

Kort ged.  

  1. Indien de voorzitter van de rechtbank van koophandel zetelend in kort geding wordt gevat op grond van een nieuw gegeven en met een nieuwe vordering, nadat hij zetelend zoals in kort geding uitspraak deed over de aanstelling van een bedrijfsrevisor overeenkomstig art. 15ter van de wet van 20 september 1948, is zijn rechtsmacht niet uitgeput.
  2. Ingeval de werkgever beroep aantekent tegen de beschikking van de voorzitter van de rechtbank van koophandel zetelend zoals in kort geding waarbij een bedrijfsrevisor wordt aangesteld, die werd voorgedragen door de meerderheid van de leden der ondernemingsraad, en ondertussen weigert om deze beschikking uit te voeren, dan kan de voorzitter voor de periode tot er een definitieve en uitvoerbare rechterlijke uitspraak is, voorlopig diezelfde bedrijfsrevisor aanstellen. Het is immers onaanvaardbaar dat een onderneming gedurende een lange periode verstoken blijft van de aanwezigheid van een bedrijfsrevisor, temeer daar zij zich in een restructureringsfase bevindt.

Daarbij moet niet worden ingegaan op het verlangen van de werkgever om, gelet op die restructurering, de vroegere bedrijfsrevisor minstens niet definitief te verwijderen, nu hij daarvoor geen pertinente redenen aanvoert. Bij de opvolging zal de nieuwe revisor in voorkomend geval een beroep doen op de oude en zullen zij op grond van de beroepsdeontologie informatie uitwisselen overeenkomstig hun beider professionele verplichtingen.