20 mars 2019

ln de tenlastelegging A.l wordt enkel de vierde beklaagde vervolgd als mededader van valsheid in de jaarrekening met betrekking tot het boekjaar dat de periode dekt van 1 januari 1999 tot 31  december 1999 en gebruik van deze valse jaarrekening. In de tenlastelegging A.2 worden de tweede, de derde en de vierde beklaagde beticht van mededaderschap aan valsheid in de jaarrekening van het boekjaar dat de periode dekt van 1 januari 2000 tot 31 december 2000 en het gebruik van deze valse jaarrekening.

 

Volgens de dagvaarding geven de jaarrekeningen van 1999 en 2000 geen getrouw beeld van het vermogen, de financiële toestand of de resultaten van de vennootschap, onder meer wegens:

  • de afwezigheid van een systeem van interne controle waardoor de controle door de

    commissaris-revisor van de 'voorraden' en 'bestellingen in uitvoering' onvoldoende was en de bedragen van de betrokken rubrieken in de jaarrekening onbetrouwbaar werden (deskundig verslag p. 32);

  • het niet tijdig aanleggen van (voldoende) provisies voor niet-inbare vorderingen, waardoor de rubriek 'vorderingen' van de jaarrekening niet correct werd gewaardeerd {onderschatting van de provisies voor een bedrag van 35.939.420 BEF voor de vorderingen per 31 december 1999 en voor een bedrag van 81.136.820 BEF voor de vorderingen per 31 december 2000- deskundig verslag p.105 e.v.};
  • dubieuze boekingen met betrekking tot doorfacturaties door Xaan de aan haar gelieerde vennootschappen (deskundig verslag p. 76 e.v.).

 

De dagvaarding preciseert dat het misdrijf werd gepleegd met de bedrieglijke bedoeling om de werkelijke toestand van de boekhouding en het vermogen van de vennootschap voor derden verborgen te houden.

De dagvaarding is gesteund op de technische bevindingen van de deskundige en bedrijfsrevisor. De bevindingen van de gerechtsdeskundige en bedrijfsrevisor hebben geen bijzondere bewijswaarde. Zij kunnen samen met de andere elementen uit het strafdossier (Inclusief de bevindingen van de technisch raadslieden van de beklaagden) het oordeel van de rechtbank vormen (zie ook Cass. 19 december 2012, P.12.1310.F, RW 2013-2014, 935-936}.

 

Het misdrijf valsheid in de jaarrekening (inbreuk op artikel 127 W. Venn.) vereist de hierna volgende constitutieve bestanddelen:

  1. materieel element: het vervalsen van de waarheid op een door de wet omschreven wijze in een jaarrekening waarbij de vervalsing een mogelijk nadeel kan berokkenen;
  2. moreel element: met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden. Vermits de jaarrekening door de bestuurders wordt opgesteld, zijn de bestuurders hoofddader van dit misdrijf wanneer vaststaat dat de jaarrekening met bedrieglijk opzet werd vervalst. In bepaalde omstandigheden kan ook een commissaris beschouwd worden als strafbare deelnemer aan de valsheid in de jaarrekening die door anderen (de bestuurders) werd opgesteld, bijvoorbeeld door de intentie om zich bij het delictueel opzet van de opstellers van het jaarverslag aan te sluiten, bij wege van het achterwege laten van zijn verplichting om de bestuurders op de anomalieën van het jaarverslag te wijzen, gecombineerd met de bevestiging dat hij geen kennis heeft gekregen van verrichtingen gedaan of beslissingen genomen met overtreding van de statuten of van de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen, of door het achterwege laten van voorbehouden of bezwaren (zie ook: L DUPONT en S. VAN DYCK: 'Enkele perspectieven op de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de bedrijfsrevisor' in De aansprakelijkheid van de bedrijfsrevisor: burgerrechtelijk, strafrechtelijk en tuchtrechtelijke aspecten, 2003, Die Keure, blz. 78).

 

De beklaagden worden vervolgd in hun hoedanigheid van bedrijfsrevisor. Het staat vast dat zij niet zelf de jaarrekening hebben opgesteld: dit deed de Raad van Bestuur. Zij kunnen bijgevolg geen hoofddader zijn van deze misdrijven. Zij kunnen slechts schuldig worden bevonden als mededader aan het misdrijf valsheid in de jaarrekening wanneer vaststaat dat de jaarrekening met het in de dagvaarding gepreciseerde bedrieglijk opzet werd vervalst door de bestuurders, én dat zij hier wetens en willens aan meewerkten.

 

De burgerlijke partijen gaan uit van de veronderstelling dat wijlen de eerste beklaagde met bedrieglijk opzet een valse jaarrekening opstelde om de failliete vennootschap een fictieve schijn van kredietwaardigheid te bezorgen en dat beklaagden hier wetens en willens aan meewerkten. De beklaagden zouden bewust hun taak foutief hebben uitgevoerd middels het opstellen van zogenaamde 'compliance' documenten, terwijl ze - bij een correcte uitoefening van hun functie - een afkeurende verklaring omtrent de jaarrekening zouden hebben moeten opstellen (randnummer 102 van de synthese conclusies van de burgerlijke partij.

 

De rechtbank stelt vast dat het niet bewezen voorkomt dat de vierde beklaagde welbewust en met kennis van zaken welwillendheidsdocumenten opstelde waardoor aan de vennootschap een valse schijn van kredietwaardigheid werd gegeven. Uit de samenlezing van alle stukken uit het strafdossier blijkt dat de boekhouding niet in dergelijke mate onjuist was dat iedereen die hiervan - zelfs beroepsmatig - kennis nam, dit moest opmerken. Samen met de vierde beklaagde stelt de rechtbank vast dat de deskundige ruim vijf jaar heeft benut om zijn verslag op te stellen, terwijl de vierde beklaagde zijn verklaring omtrent de jaarrekening binnen de maand moest afleggen. Behoudens de beweerde onjuistheden in de jaarrekening bevat het strafdossier geen enkele indicatie dat (bedrieglijke) afspraken werden gemaakt. De stelling van de gerechtsdeskundige dat enkel een afkeurende verklaring over de jaarrekening gepast was, is slechts diens persoonlijk advies dat na jarenlang onderzoek tot stand kwam. De vierde beklaagde maakt aannemelijk dat hij zijn controle-opdracht correct heeft uitgevoerd. En zelfs als hij iets niet zou hebben opgemerkt, kan hieruit niet worden afgeleid dat hij wetens en willens meewerkte aan een vervalsing. Hij wordt om die reden vrijgesproken van de feiten die hem worden ten laste gelegd onder de tenlasteleggingen A.1 en A.2.

Hetzelfde geldt voor de tweede en de derde beklaagde. Het staat vast dat de derde beklaagde erg nauw betrokken was bij en een goede relatie onderhield met wijlen. Hiervan getuigen de diverse documenten die hij opstelde in de aanloop naar de kapitaalsverhoging. Evenwel kan hieruit niet met zekerheid worden afgeleid dat de derde beklaagde bewust zijn controle-opdracht veronachtzaamde, met de bedoeling om het bestuur toe te laten de vennootschap een valse schijn van kredietwaardigheid te bezorgen. Deze hypothese veronderstelt immers een combine met de vierde beklaagde, die wordt vrijgesproken om redenen die hierboven werden toegelicht. Ook de derde beklaagde maakt aannemelijk dat hij zijn controle-opdracht te goeder trouw heeft uitgevoerd. En zelfs als hij iets niet zou hebben opgemerkt, kan hieruit niet worden afgeleid dat hij wetens en willens meewerkte aan een vervalsing. De twijfel die hierover bestaat, moet de derde beklaagde ten goede komen. Ook hij wordt om die reden vrijgesproken voor het feit van de tenlastelegging A.2.

Aangezien geen fout wordt weerhouden in hoofde van de derde beklaagde, kan deze niet worden 'toegerekend' aan de tweede beklaagde. In hoofde van deze beklaagde is evenmin een deelnemingsopzet bewezen. De rechtbank zal ook de tweede beklaagde vrijspreken voor het feit van de tenlastelegging A.2.

Het Hof van Beroep te Gent Zesde Kamer Correctionele zaken bevestigde het vonnis van 19  december 2016 in zijn arrest van 15 oktober 2018 – 2017/NT/260 omwille van de motieven uiteengezet in de pagina’s 25 tot 34. Het Hof gaat uitvoering in op de aansprakelijkheid van de bedrijfsrevisor en de taken van de bedrijfsrevisor in het kader van een financiële audit.