1 septembre 2019

Twee arresten van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, 26 februari 2019, 2018/AR/202 en 2018/AR/205.

Het Hof van beroep oordeelde dat er geen samenvoeging noodzakelijk was met het andere geschil tussen dezelfde partijen dat betrekking heeft op andere aanslagjaren en waarvan het (niet tegenstrijdige) arrest op dezelfde dag werd uitgesproken.

Tegen beide arresten werd cassatieberoep aangetekend.

Het geschil in beide arresten betreft de vraag of het fiscaal, hetzij boekhoudrechtelijk, mogelijk is een asymmetrie te hebben in de waardering van de inbreng. De rechtsvraag is of het mogelijk is dat de inbrenger van de schuldvordering op de inbrenggenietende vennootschap de in ruil daarvoor ontvangen aandelen kan waarderen tegen de realisatiewaarde, terwijl de inbrenggenietende vennootschap de ingebrachte en in kapitaal omgezette schuldvordering waardeert tegen de nominale waarde van de schuldvordering.

Elk actiefbestanddeel wordt gewaardeerd tegen de aanschaffingswaarde (art. 35, eerste lid KB/ W.Venn.). Onder het begrip aanschaffingswaarde wordt verstaan: de aanschaffingsprijs, de vervaardigingsprijs of de inbrengwaarde (art. 35, tweede lid KB/W.Venn.). De inbrengwaarde stemt overeen met de bedongen waarde van de inbreng (art. 39, eerste lid KB/W.Venn.). Naar aanleiding van de inbreng ontvangt de inbrenger aandelen in de inbrenggenietende vennootschap. Deze aandelen worden gewaardeerd tegen de conventionele waarde van de ingebrachte bestanddelen of tegen de marktwaarde indien de marktwaarde hoger is (art. 41 KB/W.Venn.).

Naar de mening van het hof hebben de termen "bedongen waarde van de inbreng" zoals vermeld in artikel 39, eerste alinea KB/W.Venn. en de term "conventionele waarde" zoals vermeld in artikel 41, § 1, eerste alinea KB/W.Venn. in feite dezelfde betekenis. Het betreft de overeengekomen waarde die in de inbrengakte wordt bepaald. Die is voor beide partijen dezelfde.

De Commissie voor Boekhoudkundige Normen (CBN) stelde in haar advies 2011/9 dat de schuldvordering zowel tegen de nominale waarde als tegen de economische waarde kan worden gewaardeerd. Het is het bestuursorgaan van de inbrenggenietende vennootschap die de waarde van de vordering in de inbrengakte moet bepalen. Daarmee stelt de CBN niet dat het mogelijk is dat de inbrenger waardeert tegen economische waarde en de inbrenggenieter tegen nominale waarde. Eenmaal een keuze is gemaakt, geldt die voor beide partijen. Bij een waardering tegen economische waarde zal de inbrenggenieter een uitzonderlijke opbrengst realiseren ten bedrage van het verschil tussen de nominale waarde en de (lagere) economische waarde. Het is naar aanleiding van de keuze voor die waardering door de beide partijen dat het voorbeeld moet begrepen worden in het advies van de CBN, waarin vervolgens ook de inbrenger een aftrekbare minderwaarde realiseert op de schuldvordering.


In dit kader is het zonder belang dat een ander advies van de CBN, namelijk advies 126/08, waarin eveneens gesteld wordt dat de waarderingen bij de inbrenger en de inbrenggenieter moeten overeenstemmen, door de rechtspraak en de rechtsleer strijdig is bevonden met de wet (Antwerpen 27 juni 2006, TFR 2007, afl. 328, 771-779). De strijdigheid van dit advies met de artikelen 39 en 41 KB/W.Venn. slaat op de zinsnede waarin gesteld wordt dat de overeengekomen waarde "gelijk is aan de 'werkelijke' waarde van de uitgegeven aandelen waarmee de inbreng wordt vergoed", niet op de regel dat die overeengekomen waarde bij de beide partijen moet overeenstemmen.

Het advies 2012/01 van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren (IBR), waarin gesteld wordt dat de inbreng van de schuldvordering gewaardeerd moet worden tegen haar nominale waarde gezien het schuldbevrijdend karakter van de inbreng en de afwezigheid van andere toepasselijke wetgeving, leidt niet tot een andere beoordeling. Op geen enkel moment wordt hierin aangegeven dat de inbrenger een andere waarderingsmethode kan hanteren.

De administratie heeft terecht de door de inbrengende vennootschap geboekte minderwaarde op de schuldvordering opgenomen onder de verworpen uitgaven.

Zoals de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge in zijn vonnis van 16 oktober 2017, beantwoordt het Hof van beroep deze vraag ontkennend.