7 mai 2014

Een bedrijfsrevisorenkantoor en zijn vaste vertegenwoordiger werden vervolgd in het kader van diens opdracht als commissaris in het boekjaar 2002-2003 bij een aantal vennootschappen van een groep. De commissaris had vastgesteld dat de toestand van de boekhoudkundige en financiële administratie van twee bedrijven die de groep in 2001 had overgenomen niet toelieten zich uit te spreken over het getrouw beeld van de jaarrekeningen over het boekjaar 2002-2003. Om die reden weigerde de commissaris om een ‘goedkeurende verklaring’ af te leveren voor de gecontroleerde jaarrekeningen en werd telkens een onthoudende verklaring afgeleverd. Het Openbaar Ministerie was van oordeel dat de commissaris een verder had moeten gaan en een ‘afkeurende verklaring’ had moeten afleggen en gaf daarenboven een invulling aan de onthoudende verklaringen alsof deze waren ingegeven om bepaalde zaken te verhullen. De commissaris toonde aan dat de controleverklaring 100% conform was aan de normen van het IBR en dat de commissaris onmogelijk een afkeurende verklaring had kunnen en mogen afgeven. Nadat de correctionele rechtbank te Mechelen op 1 juni 2011 de commissaris gelijk heeft gesteld, heeft ook het Hof van Beroep van Antwerpen de onschuld van de commissaris, bedrijfsrevisorenkantoor en zijn vaste vertegenwoordiger, bevestigd.

De volledige uitspraak