8 janvier 2015

Bedrijfsrevisor - Roerende inkomsten - Beroepsinkomsten - Verhuur cliënteel

 

Overeenkomstig artikel 37 WIB (1992), worden inkomsten van onroerende en roerende goederen en kapitalen als beroepsinkomsten aangemerkt wanneer die goederen en kapitalen worden gebruikt voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid van de verkrijger van de inkomsten.

De taxatieambtenaar was van mening dat eerste appellant de activiteit van bedrijfsrevisor is blijven uitoefenen en dat het handelsfonds en de wagen aldus werden gebruikt in de uitoefening van de beroepswerkzaamheid van eerste appellant, in de zin van artikel 37 WIB (1992).

Appellanten stellen dat eerste appellant zijn beroepswerkzaamheid van bedrijfsrevisor en erkend boekhouder-fiscalist stopzette op 31 mei 2004 en op 28 december 2004 een overeenkomst sloot met de burgerlijke vennootschap B.V.B.A. X., die hij dezelfde dag had opgericht met terugwerkende kracht op 1 juni 2004, krachtens welke overeenkomst hij zijn handelsfonds en auto verhuurt aan evengenoemde vennootschap. De inkomsten uit deze verhuur gaven appellanten aan als roerende inkomsten onder de code 1157 (netto-inkomen van verhuring, verpachting, gebruik of concessie van roerende goederen) van hun aangiften.

 

De “huurovereenkomst van handelsfonds van bedrijfsrevisor en erkend boekhouder-fiscalist”, die eerste appellant op 28 december 2004 sloot met de B.V.B.A. X., bepaalt dat de verhuurder de uitbating van het handelsfonds, dat zijn eigendom blijft, toevertrouwt aan de huurder voor een periode van zeven jaar (artikelen 2 en 3).

Het handelsfonds omvat de benaming, het cliënteel en de cliëntencontracten, de goodwill, het kantoormeubilair, kantoormaterieel inclusief software, en de kantoorinrichting, het klein kantoormaterieel en andere kantoorbenodigdheden aanwezig bij de inwerkingtreding van de overeenkomst (artikel 1).

Het cliënteel en de cliëntencontracten behelzen, inzake de permanente opdrachten, de cliëntenrelaties die in de overeenkomst worden genoemd. Het cliënteel behelst, wat betreft de eenmalige opdrachten, de cliënten waarvoor gedurende de laatste drie kalenderjaren met inbegrip van het jaar van inwerkingtreding opdrachten werden uitgevoerd (artikel 1).

De aanwas van het cliënteel maakt integraal deel uit van het handelsfonds dat eigendom blijft van de verhuurder. Nieuw cliënteel, d.i. cliënteel buiten de in artikel 1 genoemde cliëntenrelaties, verworven door de huurder tijdens de duurtijd van de overeenkomst, blijft eigendom van de huurder (artikel 5).

 

De eerste rechter oordeelde dat eerste appellant een identieke activiteit is blijven uitoefenen in het kader van de B.V.B.A. X. en dat “door zijn uitsluitende, daadwerkelijke en voortdurende werkzaamheid binnen deze vennootschap die hij heeft opgericht, waarvan hij de zaakvoerder en enig aandeelhouder is, dient hij beschouwd te worden als werkend vennoot en dienen de betaalde huurgelden voor het handelsfonds beschouwd te worden als de opbrengst van een beroepswerkzaamheid (vgl. Cass. 02/12/2004, rolnummer F.03.0068.F; zie ook Antwerpen 22/05/2001, Fiscoloog, 2001, afl. 805, p. 4)”.

Volgens geïntimeerde, wendde eerste appellant het handelsfonds aan binnen het raam van zijn beroepswerkzaamheid van bedrijfsleider-bedrijfsrevisor en zouden zonder aanwending als bedrijfsleider geen inkomsten in ruime zin – noch bezoldiging, noch huur – worden genoten.

Zoals appellanten stellen, kunnen de handelingen die eerste appellant sinds de oprichting van de vennootschap stelde, enkel aan de vennootschap worden toegerekend.

Dit is evenwel enkel zo, indien eerste appellant en de B.V.B.A. X. alle gevolgen van de overgang van de eenmanszaak naar de professionele vennootschap hebben aanvaard. Zoniet is er simulatie voorhanden.

 

Geïntimeerde betwist, onder verwijzing naar artikel 135 Venn. W., terecht dat eerste appellant zijn beroepswerkzaamheid volledig stopzette.

Zoals appellanten stellen, is artikel 135 W. Venn. niet bedoeld om zomaar om het even welke beëindiging van een mandaat in onderling overleg mogelijk te maken, en kan men niet zomaar uit louter praktische overwegingen ontslag nemen als revisor.

Artikel 4, vierde lid, van de overeenkomst houdt terdege rekening met artikel 135 W. Venn., waar het bepaalt: “Inzake de mandaten van commissaris wordt overeengekomen dat bij het eerstvolgende einde van een mandaat, de herbenoeming zal gebeuren op naam van de huurder de Burg. BVBA X.”.

Uit de stukken blijkt dat eerste appellant in juni 2004 nog in eigen naam werd benoemd als commissaris in de N.V.Y. (algemene vergadering van 15 juni 2004) en de C.V.A. Z. (algemene vergadering van 10 juni 2004). Dit betekent dat eerste appellant zijn beroepswerkzaamheid van bedrijfsrevisor nog gedurende drie jaar, d.i. gedurende de boekjaren 2004, 2005 en 2006 in eigen naam uitoefende. Anders gezegd, de beslissing van eerste appellant om zijn beroepswerkzaamheid van bedrijfsrevisor in vennootschapsverband uit te oefenen was niet van aard om zijn ontslag te nemen als revisor van de N.V. Y. en de C.V.A. Z., hetgeen eerste appellant niet deed.

Weliswaar bepalen de slotbepalingen van de oprichtingsakte van 28 december 2004 van de vennootschap dat deze bij toepassing van artikel 60 W. Venn. de verbintenissen overneemt die voor rekening en ten name van de vennootschap in oprichting zijn aangegaan te rekenen van 1 juni 2004, en bepaalt artikel 60 W. Venn. dat indien de vennootschap de verbintenis tijdig bekrachtigt, de verbintenis wordt geacht van het begin af door de vennootschap te zijn aangegaan.

Uit de stukken blijkt daarentegen niet dat de N.V. Y. en de C.V.A. Z., toen zij eerste appellant als commissaris benoemden, wisten dat hij optrad in naam van de B.V.B.A. X. in oprichting, terwijl vereist is dat de derde ervan kennis heeft dat de overeenkomst te behoeve of voor rekening van de toekomstige vennootschap wordt gesloten.

Kennelijk handelde eerste appellant zonder meer in eigen naam en voor eigen rekening, toen hij zich door de N.V. Y. en de C.V.A. Z. als commissaris liet benoemen.

Het hof stelt nog met geïntimeerde vast dat de Belgische vaste inrichting van A. GmbH. in antwoord op een vraag om inlichtingen aan de administratie in een eerste fase een door eerste appellant uitgereikte honorariumnota 2004/100 van 20 februari 2004 t.b.v. 544,50 EUR overmaakte, waarop niet was vermeld dat eerste appellant optrad voor de vennootschap in oprichting, en enkele dagen later dezelfde honorariumnota overhandigde, die ditmaal was voorzien van de stempel “voor rekening van de Burg. BVBA X. in oprichting”.

In het begeleidend schrijven van 24 september 2007, waarbij zij de honorariumnota met stempel aan de administratie overmaakte, stipte de vaste inrichting van A. GmbH. aan: “In aanvulling op mijn schrijven dd. 10 september jl. doe ik u hierbij de door Dhr. x. recente, gekenmerkte nota toekomen” (het hof onderlijnt) (stukken 390-395 van het administratief dossier).

Als reden van de uitreiking van de honorariumnota met de stempel, vermeldt de nota “ter vervanging van een eerdere nota die verkeerdelijk niet BTW-plichtig vermeldde”. De oorspronkelijke honorariumnota bevatte echter niet de vermelding “niet BTW-plichtig”. De ingeroepen reden was dus niet de echte reden.

Het hof treedt geïntimeerde derhalve bij waar hij stelt dat de toevoeging van deze reden meer lijkt op een drogreden enkel met de bedoeling de stempel “voor rekening van de Burg. BVBA X. in oprichting” vooralsnog op de honorariumnota te krijgen, zodat bij de fiscale controle van de Belgische vaste inrichting van A. GmbH. zou blijken dat de B.V.B.A. X. in oprichting was, en dat eerste appellant kennelijk weet had van de vragen om inlichtingen aan haar klanten en in allerijl de stempel “voor rekening van de Burg. BVBA X. in oprichting” aanbracht. Het gebruik van het adjectief “recente” in het begeleidend schrijven van 24 september 2007 wijst erop dat het aanbrengen van de stempel ettelijke jaren na de uitreiking van de honorariumnota 2004/100 van 20 februari 2004 gebeurde en in de loop van de fiscale controle.

In het licht van deze vaststellingen komen de stempels “voor rekening van de Burg. BVBA X. in oprichting”, aangebracht op de honorariumnota’s die eerste appellant in de periode van 1 juni 2004 tot 31 december 2004 uitreikte aan de B.V.B.A B., de N.V. C. en het D. als uitermate ongeloofwaardig over.

Uit de stukken blijkt nog dat de B.V.B.A. X. op 4 maart 2005 door de Raad van het Instituut voor Bedrijfsrevisoren werd erkend.

Zoals appellanten zelf stellen, was het vóór die datum de B.V.B.A. X. verboden om een mandaat als commissaris op te nemen.

Ook in dit opzicht leefde eerste appellant niet alle gevolgen van de huurovereenkomst na, vermits hij noodzakelijkerwijs nog in eigen naam en voor eigen rekening als bedrijfsrevisor optrad.

Bovenstaande vaststellingen en overwegingen volstaan om te besluiten dat eerste appellant niet alle gevolgen van de huurovereenkomst van het handelsfonds en van de oprichting van de B.V.B.A. X heeft aanvaard, en dat hij in werkelijkheid zijn beroepsactiviteit niet heeft stopgezet.

Ook in de mate dat het voor de verhuurder van een cliënteel onmogelijk is het rustig genot ervan te verschaffen en het cliënteel aldus niet het voorwerp kan zijn van een huur (vgl. Cass. 19 september 2013, hierboven aangehaald), aanvaardde eerste appellant niet alle gevolgen van de huurovereenkomst die hij met de B.V.B.A. X. sloot.

De taxatieambtenaar betwiste geenszins de werkelijkheid van de verhuur van de personenwagen van eerste appellant aan de B.V.B.A. X. Geïntimeerde doet dat evenmin voor het hof, terwijl de eerste rechter het onderscheid tussen de twee huurovereenkomsten niet maakte.

Niets liet de taxatieambtenaar toe de inkomsten uit de verhuur van de auto als bedrijfsinkomsten te belasten.

Het hoger beroep is enkel in die mate gegrond.